Waarom ‘wij’ belangrijk zijn; ook voor de democratie!

Bespreking Martha Nussbaum – Not for Profit

Micha van der Wal – Het is crisis. En niet alleen op economisch vlak; het is erger; de democratie is in gevaar! De Humanities (wat ongeveer, maar net niet als ‘de Geesteswetenschappen’ vertaald kan worden) worden schromelijk verwaarloosd.

De ondertitel van Martha Nussbaum’s Not for Profit maakt direct duidelijk waar zij de kiem voor de crisis ziet: Why Democracy Needs the Humanities. Zonder Humanities dus geen (goede) democratie. Het punt dat Nussbaum maakt is vergelijkbaar met John Tosh’ in 2008 verschenen Why History Matters, waarin Tosh duidelijk maakt dat historici een instrumentele functie voor de democratie (zouden moeten) vervullen. In haar korte boek zet Nussbaum op lucide wijze uiteen waarom deze tak van wetenschap zo belangrijk is om van klapvee kritische burgers te maken. Nussbaum’s pleidooi heeft niet alleen betrekking op de Humanoties die aan de universiteit onderwezen worden, maar op het gehele onderwijs, van basisschool tot universiteit.

De trend die Nussbaum ziet, en aan de hand van citaten ook aannemelijk maakt, is dat studies die slechts ‘rote learning’ bieden, oftewel het slaafs aanleren van feiten en methodes zonder kritische reflectie, de voorkeur krijgen boven de geesteswetenschappelijke studies. Dit omdat er bij eerstgenoemde studies, waarschijnlijk de bedrijfswetenschappelijke studies, een zeer direct uitvloeisel in termen van geldelijk gewin kan zijn, waar de Humanities dat zouden ontberen. Zo citeert ze president Obama om te laten zien hoe zelfs hij voorbijgaat aan het belang van de Humanities voor de samenleving: ‘Never in this entire lengthy speech does he [Obama] mention the democratic goals I have emphasized. And when he mentions critical thinking – once – it is in the context of what businesses need for profitability. (…) Even more problematic, President Obama repeatedly praises nations of the Far East, for example Singapore, which in his view, have advanced beyond us in technology and science education. And he praises such nations in an ominous manner: “They are spending less time teaching things that don’t matter, and more time teaching things that do.” In other words “things that matter” is taken to be equivalent to “things that prepare for a career.”’

 

Dit moge ten dele zo zijn, Nussbaum brengt hier echter tegenin dat een bloeiende economie een middel is om een samenleving goed te laten functioneren, maar zeker geen doel op zich: er zijn belangrijker zaken dan het kunnen opmaken van balansen. Want dat is het waar het kortweg op neerkomt: de Humanities zijn bij uitstek geschikt om die vaardigheden aan te leren die Nussbaum van essentieel belang acht voor een goed functionerende democratie. Kort samengevat zijn dit drie zaken. Allereerst het onderwijzen van compassie, dat ook inhoudt dat men in staat is om de standpunten van een ander serieus te overwegen en die ander te zien als iemand die evenveel recht heeft op een menswaardig bestaan als je zelf hebt. Ten tweede de socratische dialoog, die mensen leert kritisch na te denken en niet blindelings de stem van autoriteit te volgen. Ten derde kennis die de eigen natie overstijgt, zodat men dingen vanuit een mondiaal perspectief kan bekijken. Het leren van een taal zou hier erg nuttig voor zijn, evenals kennis over de wereldgeschiedenis.

Aan de hand van denkers als Tagore, Rousseau en Socrates, maar ook de pedagogen Pestalozzi, Froebel en Dewey, geeft Nussbaum een model van hoe het wel zou moeten: het actief stimuleren van discussie, het ontwikkelen van kritisch denkvermogen en het uitdagen op creatief vlak. Dit zijn allemaal zaken die logisch lijken, maar er in de praktijk vaak bij inschieten.

Hoewel Nussbaum een wereldwijde crisis constateert en ook de ambitie uitspreekt het probleem mondiaal te analyseren, blijkt het boek zich vooral op de Amerikaanse situatie te richten. Zo nu en dan maakt Nussbaum een kleine excursie naar India, waar ze enige tijd onderzoek heeft verricht, en naar Europa. Vooral in dat laatste geval blijkt ze niet bijster goed geïnformeerd. Daarmee maakt ze impliciet haar eigen stelling waar: aan de Amerikaanse scholen ligt de focus nog steeds teveel op de eigen natie, waardoor kennis over andere landen, die voor de wereldburger onontbeerlijk is, ontbreekt. Waar ze de diepte ingaat over Europa gaat het toch vooral over Engeland, dat vervolgens vooral dient als negatief contrast met de V.S. Op deze wijze wordt het boek een lofzang op het (bedreigde) Amerikaanse systeem, met zijn brede opleiding tijdens de eerste jaren van de universiteit, waar iedereen enige vakken in de Humanities moet volgen en de studenten op deze wijze een stoomcursus democratie krijgen. Voor Europa, waar de eerste jaren op de universiteit over het algemeen niet zo breed zijn opgezet, verliest dat argument aan geldingskracht. Voor het gemak impliceert Nusbaum dan ook dat Europa er goed aan zou doen het model van de V.S. ten minste gedeeltelijk over te nemen.

Dit is niet het enige probleem van het boek, want zoals Nussbaum zelf stelt: ‘This is a manifesto, not an empirical study, …’ En dat is het zeker: vanwege de pamflettistische aard van het werk schiet de analyse van sommige van Nussbaum’s vooronderstellingen nogal door, gaat de nuance verloren, en worden argumenten nogal oppervlakkig gebracht. Sommige vragen gaat Nussbaum uit weg, zoals de vraag in welke mate de Geesteswetenschappen instrumenteel voor de democratie moeten zijn. Of waarom deze vaardigheden, zoals het socratische argument, nu zo eigen zijn aan de Humanities en of deze vaardigheden niet in andere disciplines geïntegreerd kunnen worden. Dit zijn onderwerpen waarbij ze uitgebreider stil had kunnen staan.

Uiteindelijk maakt Nussbaum het zichzelf moeilijk door een tegenstelling te creëren tussen een ‘education for profit’ en een ‘education for a more inclusive type of citizenship’, ofwel de Humanities. Dit impliceert enerzijds dat de andere disciplines deze mogelijkheid tot kritische reflectie ontberen, iets wat ik betwijfel, en anderzijds dat de Humanities en winst maken elkaar uitsluiten, wat ook nog maar de vraag is. Waar Nussbaum het heftigst tegen protesteert is juist het winststreven dat alles onderhevig maakt aan zichzelf, en daarbij zelfs het functioneren van de democratie. Hierdoor ziet ze de Humanities in het gedrang komen, ten faveure van de studies die slechts ‘rote learning’ aanbieden. Ze stelt daarom dat we meer aandacht aan de Humanities moeten besteden, want dan wordt iedereen een kritisch burger die zich beseft dat er meer is dan winstmaximalisatie. Zo lijkt het een cirkelredenering te worden, die vooral voor de eigen parochie bedoeld is en niet echt in staat een ander publiek aan te spreken. Dat is erg jammer, want het probleem dat Nussbaum aansnijdt is geen schijnprobleem, zoals ook de op hand zijnde bezuinigingen hier ten lande nogmaals bevestigen.  

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s