Verwende kwasten in luilekkerland

Waarom studenten inderdaad aangeleerd lui zijn

Clara van de Wiel – De maand januari leent zich altijd goed voor de nodige reflectie. Naast de lijstjes met af te werken goede voornemens zorgt ook de afwezigheid van colleges voor een harde confrontatie met het gebrek aan zelfdiscipline. Voor Ewald Engelen een geschikt moment die discipline eens stevig aan de kaak te stellen. Zijn stelling in De Groene Amsterdammer van 7 januari is helder: de gemiddelde student is lui.

Wellicht was het die frisse januariwind, maar de grootste schok was voor mij dat ik het moeilijk met hem oneens kon zijn. Ligt het inderdaad gewoon aan een gebrek aan arbeidsethos dat een groot deel van de studenten de studie niet binnen vier jaar afrondt en dus onterecht tonnen aan belastinggeld opgebruikt? Wordt het inderdaad hoog tijd tijdens de hevige discussie over onderwijsfinanciering de hand in eigen boezem te steken? En hoe zit het met de luiheid van de geschiedenisstudent?
Als ik om me heen kijk neig ik inderdaad naar de conclusie dat de typering ‘lui’ niet geheel misplaatst is. Wanneer voor het halen van een normaal aantal van dertig studiepunten vaak welgeteld vijf contacturen per week op het rooster staan, kan van een druk studiebestaan moeilijk sprake zijn. Zelfs als je daarvoor een flink pak literatuur moet voorbereiden: de voorgeschreven veertig uur wekelijkse studie wordt zelden tot nooit gehaald. Bovendien besluit menigeen aan het eind van een semester, wanneer er inderdaad ineens een iets drukkere tijd aanbreekt, alsnog een vak te laten vallen, waardoor zelfs die dertig punten zelden worden behaald. Dertig procent van de studenten ‘dropt’ bovendien helemaal ‘out’. Engelen constateert daarbij terecht, en dit is een nog kwalijkere zaak, dat veel studenten er in de werkgroepen als een zoutzak bijzitten en er maar weinig sprake is van de gewenste interactie. Niet zelden moet de docent een antwoord er werkelijk uittrekken en een discussie komt uiterst moeilijk of helemaal niet op gang. Wanneer zelfs die uren dat er gestudeerd wordt, dit met zo’n minimale inspanning wordt gedaan mag Engelen zich terecht afvragen waarom de overheid zoveel geld in het hoger onderwijs pompt.


Waar houdt de student zich dan wel mee bezig? Te veel tijd gaat, zoals Engelen betoogt, in ontzettend drukke bijbaantjes zitten. Wanneer twintig uur in de week aan werk wordt besteed mag je vraagtekens zetten bij de betiteling ‘bijbaantje’. Decadentie lijkt norm geworden. Dat je menige twintigjarige hoort beweren dat ze nu toch wel toe zijn aan een ‘eigen huisje’ levert terecht gefronste wenkbrauwen op. Daarbij behoren uitgaan en kroeghangen tot een natuurlijk habitus en wordt vele avonden in de week het verdiende geld in de horeca over de balk gesmeten. Engelen stelt boud: ‘Het moet maar eens gezegd: te veel van onze lieve zoontjes en dochtertjes zijn verwende kwasten die de grote gunst die de Nederlandse belastingbetaler hun verleent absoluut niet weten te appreciëren.’

Engelen schiet echter te ver door in zijn relaas over de vermeende luiheid. Ook al constateert hij terecht dat er wat betreft discipline en motivatie veel te wensen over blijft, gaat hij allereerst voorbij aan dat deel van de studenten dat wel degelijk de studie op de eerste plaats zet. Belangrijker nog is dat de manier van studeren die de meesten zich hebben aangeleerd, simpelweg de meest economische is. Luiheid wordt beloond. Wanneer ik met minimaal werk een twijfelachtig werkstuk inlever en dit vervolgens beoordeeld wordt met een 7 blijft er weinig stimulans voor noeste arbeid over. Zelden of nooit wordt een eindpaper afgestraft met een diepe onvoldoende. Geen wonder dat het niveau vaak zo laag blijft: het loont simpelweg. Overigens zijn de bezuinigingen in het onderwijs juist de oorzaak van dit economisch studeren. Niet iedereen kan bij zijn ouders aankloppen voor een riante bijdrage in de kosten en zal daarom zelf door middel van een baan in zijn levensonderhoud moeten voorzien. Het leenstelsel wordt te veel gewantrouwd, en bovendien ontmoedigd, om een goed alternatief te bieden.

Bovendien gaat Engelen voorbij aan de meerwaarde die nevenactiviteiten wel degelijk hebben. Ik vraag me werkelijk af wat Engelen voor ogen heeft als hij klaagt over studenten die te lang over hun studie doen. Piepjonge Masters die op hun tweeëntwintigste zonder enige bestuurs- of werkervaring de arbeidsmarkt opgaan? In plaats van te klagen over een lange studietijd kan men beter kijken naar de manier waarop deze tijd wordt ingevuld. Wanneer meerdere studies en veel bijvakken gevolgd worden, of bestuurstaken en -activiteiten worden uitgeoefend, is dit natuurlijk alleen maar een grote plus bovenop het reguliere curriculum. Inderdaad: je kunt de studie gemakkelijk in vier jaar afronden. Een betere vraag is of je dit wil.

Hoewel Engelen dus wel degelijk een punt heeft als hij de motivatie en discipline van de student aan de kaak stelt, verzandt zijn betoog te vaak in loze retoriek. Als hij spreekt over een complot van de gegoede middenstand om het ‘enkeltje Luilekkerland’ mogelijk te blijven maken gaat hij voorbij aan het grote economische nut dat deze ‘elite’ wel degelijk heeft voor de gehele samenleving. Dat we de internationale reputatie van de randstedelijke horeca om zeep zouden helpen is een uiterst flauwe aantijging. Ik vraag me af hoeveel Amsterdamse kroegen er op het zure hoofd van de heer Engelen zitten te wachten. Kroeghangen is een studentenliefhebberij, maar dat is van oudsher zo en stimuleert mijns inziens zowel menige discussie als de horecaomzet. De uitspraak dat universiteiten ‘al lang geen bron van economische voorspoed meer zijn’ suggereert dat de situatie vroeger zo veel beter was. Een blik op de generatie van mijn ouders helpt dit misverstand snel uit de wereld.

In plaats van bezuinigingen goed te praten met als argument de luiheid van de student zijn er heel andere maatregelen nodig. Zorg juist voor investeringen in het onderwijs om het niveau op te krikken en zowel docent als student te motiveren! Wanneer docenten meer tijd hebben voor studenten kunnen ze ook hogere eisen stellen en zal het met het minimale, economische studeren snel afgelopen zijn. Dat een deel van de studenten dan een stuk harder moet gaan werken of het niveau niet kan bijbenen is ‘collateral damage’. Sommigen zullen zich wellicht gaan afvragen of universitair onderwijs voor hen wel meest geschikt is en eerder aftaaien naar het hoger beroepsonderwijs. Maar ik geloof niet dat het snel zo ver zal komen. Juist wanneer door extra investeringen het niveau omhoog kan gaan wordt het plezier bij zowel docent als student gestimuleerd. Zijn studenten momenteel lui en ligt een deel van het probleem bij ons? Zeer zeker. Leiden bezuinigingen enkel tot een nog verdere verschraling van het onderwijs? Helaas is ook dit het geval. Ik kan slechts hopen dat econoom Engelen en zijn collega’s dit snel genoeg doorhebben.

Dit artikel is een reactie op de column ‘Enkeltje Luilekkerland’ van Ewald Engelen zoals verschenen in De Groene Amsterdammer, jaargang 124 nummer 1 van donderdag 7 januari 2010.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s