Maandelijks archief: november 2016

Eindeloos Novembernummer!

Geliefde kapiteins, matrozen, bannelingen en papegaaien,

Een lichtpuntje in de duisternis van recente (en toekomstige) politieke gebeurtenissen: de nieuwe Eindeloos is uit! Voor iedereen die de laatste week dacht ‘waarom word ik geen banneling op de zee, ver weg van autocratische figuren met pruik-achtig haar?’, heeft Eindeloos het antwoord: een heus Piratennummer! Woeste zeevaarders aan de kusten van de Caribische eilanden en de Atlantische oceaan, tot de kusten van Cornwall en Noord-Afrika. Nu – geheel gratis – te pakken in het Bushuis, PCH, en de OMHP.

En hier voor onze geliefde zeebonken die liever een digitale versie hebben:

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder 2016-2017, Digitaal

‘Poor Wandering Ones’ The Pirates of Penzance en de Victoriaanse piratenobsessie

Pouwel van Schooten – Onze eigentijdse piratenobsessie steekt weer de kop op. In 2017 komt het vijfde deel uit van de filmreeks Pirates of the Caribbean. Deze fixatie met extravagante en gevaarlijke zeevaarders is echter niet nieuw. Twee eeuwen voordat publiek schaterde om Jack Sparrow en huiverde bij de verschijning van octopusachtige Davy Jones, zat de wereld ook midden in een piratenobsessie – en deze ging verder dan boeken en toneelstukken.

the_pirate_king_denounces_the_major_general

‘Geef me je dochter, ik ben een Romantische held!’

Zoals meer waargebeurde verhalen kregen piraten hun sprookjesachtige lading tijdens de Romantiek. Gepassioneerde dichters en schrijvers schreven over spannende zeevarende antihelden. Wellicht de bekendste uit deze tijd is lord Byron’s The Corsair (1814), over de balling Conrad met een zwak voor de vrouwen. Op de eerste dag werden er maar liefst tienduizend exemplaren verkocht! Maar de negentiende-eeuwse piratenobsessie bereikte haar hoogtepunt pas met de publicatie van Robert Louis Stevenson’s Treasure Island in 1881. Deze avonturenroman verhaalt de piratenavonturen van Jim Hawkins, en was (en is nog steeds) immens populair. Treasure Island heeft een enorme invloed gehad op de culturele verbeelding van piraten; van de schatkaarten met kruisjes tot de papagaaien op schouders (meer hierover in Hapklare Historie over Piratenmythen!). Stevenson was niet de enige schrijver die gek was van gevaarlijke, stelende zeebonken. Nog geen drie jaar voordat het eerste deel van Treasure Island verscheen, was het Britse publiek ook al gecharmeerd van een piratenrelaas, een gekenmerkt door muziek: The Pirates of Penzance.

Stevenson stond iets dichterbij de realiteit van de gouden eeuw van piraten (maar nog steeds literair verheerlijkt), maar in de meeste victoriaanse literatuur over piraten komt er weinig moordlustigs of wreeds voor. De negentiende eeuwse romantisering van piraten hebben meer weg van Robin Hood en zijn ‘merry men’, en W. S. Gilbert en Arthur Sullivan’s 1879 operette The Pirates of Penzance is hier een perfect voorbeeld van. Operette is een soort lichte vorm van opera. De onderwerpen zijn minder zwaar en pretentieus (geen oude mythen en tragische koningen), en bedoeld voor een minder elitair publiek. Niemand in deze stukken neemt zichzelf echt serieus. Zo ook in Pirates, waar een ludieke groep piraten de kust van Cornwall afvaart en er knotsgekke muzikale avonturen beleeft. Hier komt het beeld van de geromantiseerde victoriaanse piraat het best naar voren; niet moordlustig of wreed, maar lief en levend volgens een erecode: meer een tragische (zingende) held.  Zo zijn de Penzance-piraten bijvoorbeeld allemaal wees en weigeren ze andere wezen te bestelen (‘because we know what it’s like’). Het natuurlijke gevolg is dat iedereen doet alsof hij of zij wees is – en de piraten komen er nooit met een buit van af. Zoals gewoonlijk in operettes eindigt het stuk met een stel deus ex machina’s: de piraten waren eigenlijk allemaal ‘noblemen, who have gone wrong.’ Dat klinkt voor ons als een slap plot, maar het victoriaanse publiek was meer geïnteresseerd in de dwaze personages, ludieke zangteksten en vreemde kostuums in plaats van een sterke clue.

The Pirates of Penzance is een ultiem voorbeeld van de opgeschoonde piraat, maar de Victorianen zelf waren niet altijd vies van een beetje piraterij: namelijk het stelen van intellectueel eigendom. De operettes van Gilbert and Sullivan waren enorm populair in de Engelssprekende wereld, met name in de Verenigde Staten. Dit land was echter in de negentiende eeuw het ‘Wilde Westen’ omtrent auteursrecht: alleen Amerikaanse auteurs werden beschermd. Dit was ten tijde van het opstellen van auteursrecht in 1790 niet zo’n probleem geweest, veel andere landen beschermden namelijk ook alleen hun eigen burgers. Bovendien was de verspreiding van boeken, toneelstukken en dergelijke een stuk geringer en langzamer in de achttiende eeuw. Maar in de tijd van de negentiende eeuwse technologische opmars, werd dit beperkte auteursrecht steeds meer een probleem. Steeds meer Britse schrijvers klaagden dat hun werk niet auteursrechtelijk beschermd werd in Amerika, zo ook Gilbert en Sullivan. H. M. S. Pinafore bijvoorbeeld, het stuk dat voorafging aan Pirates, was ook een groots succes in de VS. Maar door het gebrek aan auteursbescherming, werd dit stuk maar liefst door 150 toneelgezelschappen zonder enige betaling met een paar aanpassingen weer opgevoerd. Om deze piraterij te omzeilen, werd Pirates voor het eerst opgevoerd in New York, en werd de publicatie van de muziek en libretto uitgesteld. Voor Pirates werkte dit enigszins want het stuk was in zekere zin ‘Amerikaans’, en viel onder het Amerikaanse auteursrecht. Maar de intellectuele piraterij eindigde niet voor de twee muzikale heren, en latere operettes ondervonden dezelfde problemen. Blijkbaar zaten de negentiende-eeuwers met hun romantische opgeschoonde noties van moralistische piraten, niet zo ver weg van werkelijke piraterij.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder 2016-2017, Achtergrond, Digitaal, webredactie