De formatie van 1848

Maurits Thomassen – De kabinetsformatie van de VVD en de PvdA is in volle gang. Onder leiding van informateurs Henk Kamp en Wouter Bos schijnen de fractievoorzitters Mark Rutte en Diederik Samsom flinke vooruitgang te boeken. Schijnen, want veel komen we over de besprekingen niet te weten. Er heerst namelijk radiostilte om de formatie zo voorspoedig mogelijk te laten verlopen. Deze radiostilte werd overigens even doorbroken om een ‘deelakkoord’ bekend te maken waarin onder meer staat dat de gehate langstudeerboete met terugwerkende kracht zal worden afgeschaft. Premier Rutte meldde tijdens deze bekendmaking ook nog even dat hij nu het boek Dagboek van een onderhandelaar leest, van Ed van Thijn, over de  mislukte coalitiebesprekingen van het beoogde kabinet Den Uyl II in 1977.  Enig historisch besef is onze minister-president gelukkig niet vreemd, maar dat mag ook wel voor iemand die zeven jaar geschiedenis heeft gestudeerd.

Dat kabinetformaties over het algemeen lastige aangelegenheden zijn blijkt ook al uit de allereerste formatie in de Nederlandse geschiedenis. Deze eerste kabinetsformatie vond plaats in 1848. Er waren voor deze tijd weliswaar ministers, maar zij waren adviseurs van de koning, zij vormden geen kabinet en er was niet regelmatige een ministerraad.

Vanwege de dreigende revolutionaire stemming in het buitenland en de roep om hervormingen in Nederland, besluit koning Willem II in maart 1848 een grondwetscommissie in te stellen onder leiding van de liberaal Johan Thorbecke. Willem II passeert en schoffeert hiermee zijn eigen ministers zodanig, dat zij op 15 maart onmiddellijk hun ontslag indienen. De volgende dag verklaarde de koning aan buitenlandse gezanten ‘in één nacht van zeer conservatief zeer liberaal te zijn geworden.’

De opdracht van de grondwetscommissie is in de eerste plaats het schrijven van voorstellen ter herziening van de grondwet. Als tweede opdracht moet de commissie de koning van advies voorzien over een te formeren kabinet totdat de grondwetsherziening is voltooid. Omdat de commissie er niet op korte termijn in slaagt deze tweede opdracht te volbrengen, wordt Gerrit graaf Schimmelpenninck, op dat moment de Nederlandse gezant aan het Engelse hof, benoemd tot formateur. Thorbecke lijkt in eerste instantie zeker niet afwijzend te staan tegenover de inmenging van Schimmelpenninck: in zijn ogen zou Schimmelpenninck zorg gaan dragen voor de minder belangrijke tweede taak van de commissie. De verwachting bij Thorbecke is dan ook dat hij in het te vormen kabinet minister van Binnenlandse Zaken zal worden. Niets is minder waar want Thorbecke wordt door Schimmelpenninck helemaal niet opgenomen in de regering.

Dat dit laatste koning Willem II wellicht helemaal niet slecht uitkwam is goed mogelijk. Hij kreeg nu een gematigd-liberale voorzitter van de ministerraad in plaats van de radicaal-liberale Thorbecke. Bovendien vond Schimmelpenninck, zo blijkt uit zijn Notanda Thorbecke veel te radicaal voor een ministerspost. Schimmelpenninck wilde een grondwet en een ministerie waar zowel liberalen als conservatieven zich in zouden kunnen vinden en vreesde dat dit met Thorbecke niet zou lukken. Toch moet het een grote teleurstelling voor hem zijn geweest na al het verrichte werk in de grondwetscommissie. Thorbecke zelf schrijft hierover het volgende: “Maar het is tevens klaar genoeg, dat ik teregt ben verwijderd. Want met deze inderdaad onbekwame, jaloersche, kuipzieke, zwakke en valsche menschen zou ik toch hoogstwaarschijnlijk niet langer dan eenige dagen hebben gezeten.”

Dat Thorbecke buitenspel wordt gezet, komt niet alleen doordat Schimmelpenninck de kans heeft gegerepen zichzelf naar voren te schuiven als kandidaat minister-president door de onduidelijkheid die is ontstaan over de macht van de koning. Ook in 1848 blijken de persoonlijke verhoudingen doorslaggevend te zijn bij de kabinetsformatie. Schimmelpennincks schrijft bijvoorbeeld in zijn Notanda over zijn ontmoeting met Thorbecke: “Dit was de eerste reize dat ik dien man zag, en zijn uiterlijk beviel mij weinig…] […waardoor hij mij in den mond gaf om hem deswege eene propositie te doen, waarvoor ik mij wel wachtte, daar hetgeen ik van den man wist genoeg was om mij te toonen dat hij tot zoo iets geheel ongeschikt was…”

            Het lijkt er op dat Graaf Schimmelpenninck zichzelf in een riante positie heeft gemanoeuvreerd en dat een succesvolle carrière in de Nederlandse politiek voor Thorbecke ver weg is na het lijden van zo een forse nederlaag. Maar het kan verkeren in de Nederlandse politiek.  Met zijn formatie blijkt Schimmelpenninck uiteindelijk een Pyrrhusoverwinning te hebben behaald. Schimmelpenninck vertrekt nog geen twee maanden later met de staart tussen de benen terug naar Londen. De herziening van de grondwet zal uiteindelijk, met veel moeite (en veel bemoeienis van de koning) worden aangenomen. Op 1 november 1849 is het dan eindelijk zover: het kabinet Thorbecke is een feit. Dit kabinet zou bijna vier jaar zitten. Hierna zou Thorbecke – afgewisseld door conservatievere kabinetten – nog tweemaal een kabinet leiden. In totaal is Thorbecke meer dan negen jaar voorzitter van de ministerraad geweest.

Of Rutte en Samsom iets van deze geschiedenis kunnen leren is de vraag, maar een wijze les die men in ieder geval uit deze formatie kan trekken is dat er niet te vroeg gejuicht moet worden. Dat geldt ook voor de (toekomstige) langstudeerders: eerst zien, dan geloven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s