Academische etiquette: Voorkom die ene faux pas!

Linda van Exter-Wright – Als eerstejaars student word je door zowat elke publicatie die zich ook maar een klein beetje met de UvA associeert bedolven onder de tips voor een succesvol studiejaar. Schrijf je in bij Kleio, bij ASVA, doe mee aan de intreeweek, ga bij een studentenvereniging; allemaal erg nuttig en praktisch, maar hoe staat het eigenlijk met de ongeschreven gedragsregels? Hoe zorg je ervoor dat je niet direct die ene faux pas maakt die je de rest van je academische carrière zal achtervolgen?   

In de oudheid en de middeleeuwen had men het op dit gebied makkelijk. Mores en gedragscodes werden tot op het irritante af herhaald. Haal de pedante adviezen van de grote Griekse filosofen over hoe men zich dient te gedragen weg, en er blijft in sommige gevallen slechts een oud mannetje in een niet al te schone toga over. Verder kon de welwillende student (studentes waren in deze periode nog niet) zich via verhalen en gedichten op de hoogte stellen van het juiste –of juist totaal ongepaste- gedrag van de verschillende standen. Goed opletten hoe de koning zich gedroeg tijdens een riddertoernooi hielp natuurlijk ook.

Duidelijke aanwijzingen over hoe men met het personeel en ‘de buitenwereld’ behoort om te gaan waren te vinden in boeken als Le Ménagier De Paris (ca. 1393), waarin een al dan niet fictieve Parijzenaar zijn vijftienjarige bruid de praktische kant van het leven uitlegt. In de eeuwen daarna zijn er vele boeken in dit genre verschenen, met als voorlopig hoogtepunt Mrs Beeton’s book of Household management (1861). Hierin laat een gezag inboezemende matrone die visioenen oproept van stijve knotjes en priemende blikken weten dat men zich nooit en te nimmer familiair tegenover ‘de hulp’ dient op te stellen. Een leuk detail daarbij is dat de schrijfster, Isabella Beeton, in werkelijkheid een vrolijke vijfentwintigjarige journaliste was, die al vanaf haar negentiende in door haar man uitgegeven tijdschriften soortgelijke tips gaf.

In de jaren vijftig van de afgelopen eeuw zijn juweeltjes te vinden als Baedeker voor de huisvrouw, waarin hoofdstukken hilarische titels hebben als ‘Géén grote hoed in een winderig klimaat!’ en ‘Hoe ontvangt u uw man?’. In dit boek wordt een ideale situatie geschetst waarin de huisvrouw, gekleed in ‘een net japonnetje, met keurig gepoederde neus, onberispelijk gekamde haren en de beminnelijkste glimlach ter wereld’ op de thuiskomst van haar man wacht. Hierna ‘luistert u met grote aandacht en zichtbare bewondering naar hem, wanneer hij vertelt over zijn zakelijke moeilijkheden’.

Adviezen voor de vrouw van een aanstormende academicus zijn er ook. Ietwat onvriendelijk wordt haar meegedeeld dat ze, als zij zichzelf niet ‘eventueel met de hulp van een door een bibliotheeksecretaresse opgestelde boekenlijst’ ontwikkelt, niet raar op moet kijken als haar man zich van haar ‘vervreemt’ omdat zij niet beschaafd genoeg met zijn zakenrelaties kan converseren. De jonge academicus zelf wordt door de Baedeker aangeraden om zich vooral te verdiepen in de ‘voorschriften der etiquette’. In navolging hiervan krijgt u nu een aantal ongeschreven regels die, hoe vanzelfsprekend ze soms ook lijken, toch verbazingwekkend vaak overtreden worden.

Ten eerste: een hoorcollege is geen Socratisch gesprek. Wees niet die ene student die met een opgestoken vingertje het ritme van een college onderbreekt om een vraag te stellen die al in de studiehandleiding beantwoordt werd, of die eens lekker uitgebreid zijn of haar persoonlijke mening over het nut van middeleeuwse putdeksels gaat ventileren. Vragen zijn er voor de pauze en als die van jou zo briljant zijn dat zelfs de oren van de hoogleraar er van gaan klapperen, dan komt hij of zij er later in het hoorcollege vanzelf wel op terug. Voor werkcolleges geldt juist het tegenovergestelde. Zeg @#%# eens iets!

Verder is de tijd dat studenten gedwongen moesten gaan staan als een hoogleraar binnenkwam voorbij, maar is het nog wel verstandig om uit gewoonte elke academicus die je tegenkomt met ‘u’ aan te spreken. Als ze dit niet belangrijk vinden dan geven ze dit snel genoeg aan, terwijl degenen die hier wel prijs op stellen dodelijk beledigd zijn als je ze te amicaal benadert, wat bijzonder vervelend kan zijn als hij of zij degene is die jouw eerste werkstuk beoordeelt. In de categorie ‘te amicaal’ valt overigens ook het tijdens de eerste werkgroepbijeenkomst heel hard roepen dat je gaydar pingt, en vervolgens de docent naar zijn geaardheid vragen. True story.

Ook is het goed om te weten dat sommige werkgroepdocenten hun taak erg serieus nemen. Kijk niet raar op als je na het tweede smoesje over je weekopdracht of de tijd van binnenkomst zonder pardon uit de werkgroep gezet wordt, waardoor je direct je eerste schreden op het pad naar de langstudeerboete hebt gezet. Mocht je verder tijdens een werk- of hoorcollege opeens een grote behoefte voelen om de laatste geslachtsziekte van je BFF te bespreken, ga dan achterin zitten. Zo val je anderen niet lastig en heb je ook niet de kans om door de hoogleraar als ‘voorbeeld’ gesteld te worden tijdens een gênant publiek momentje.

Kledingvoorschriften bestaan niet op de UvA. De tijd dat slechts de hogere standen bepaalde kleding mochten dragen is voorbij, uniformpjes hebben we niet en dankzij nijvere kinderhandjes in Azië is inmiddels vrijwel elke look betaalbaar geworden. Dus draag wat je wilt en wees wie je wilt zijn. Natuurlijk kun je wel via uiterlijkheden subtiel projecteren hoe je gezien wilt worden. Neem hierbij een voorbeeld aan Van Rossum, die tijdens de hoorcolleges Oudheid nog een sympathieke bron van kennis en spannende verhalen was, maar tijdens het eerste deeltentamen zijn oplettende studenten verraste met een radicaal aangemeten, ultrakort Romeins militair kapsel. Als een ware Julius Caesar schreed hij door de IWO tentamenzaal (blauw), met haviksogen speurend naar spiekende luiaards, die van pure schrik pardoes hun best deden.

Als laatste nog enkele kleine opmerkingen. Mocht je tijdens je eerste bezoek aan het PCH hoopvol om je heen kijken, op zoek naar wellevende tekenen van beschaafd gedrag zo vlak voor de aanvangstijden van de werkgroepen, bedenk dan goed dat liftetiquette in het PCH niet bestaat. Sla dus iedereen die tussen jou en de liftdeuren staat zonder pardon neer en maak daarna snibbige opmerkingen over zijn of haar gedrag. Hetzelfde geldt voor de computerruimte, de rij voor de onderwijsbalie, de gangen van de OMHP vlak na een hoorcollege en het gebruik van een printer op drukke tijden. Mocht je hierbij helemaal in de verdrukking komen, besef dan dat dit geen tegenslag is, maar juist een waardevolle training voor het allerbelangrijkste moment in je prille academische carrière, waarover meer in een aankomend artikel getiteld: “Hoe beheers ik mijn godsgruwelijke razernij en moordlust tijdens de SIS-inschrijvingsperiode?”

Advertenties