Na het zoet, nu het zuur

De zwarte canon van de Nederlandse geschiedenis 

Hugo van Doornum – De vaderlandse geschiedenis had een moment van glorie in 2006. Balkenende sprak over ‘de VOC-mentaliteit’, Marijnissen en Verhagen dienden een motie in voor het Nationaal Historisch Museum en de commissie Van Oostrom presenteerde de historische canon, als een ‘uiting van onze culturele identiteit’. Toen Maxima een jaar later de Nederlandse identiteit in z’n geheel als non-idee bestempelde, was de geest helemaal uit de fles. Wat was ‘onze’ Nederlandse geschiedenis?

Een zwarte Canon.
Een zwarte Canon.

Na eindeloos gesoebat over deze vraag onder zowel politici als historici zijn de plannen voor een NHM definitief door de shredder gehaald. De canon van Nederland kent daarentegen meer succes en maakt sinds 2010 zelfs officieel deel uit van de ‘kerndoelen’ van het lager en middelbaar onderwijs. Als onmiskenbare reactie op die vermeende identiteitscrisis van de jaren 2000, is de canon vooral een Nederlandse zelf-felicitatie geworden; slechts de slavernij en Srebrenica zijn vervelende smetjes op onze fiere nationale historie. Historicus Chris van der Heijden pleit daarom deze week in de Groene Amsterdammer voor een zwarte canon: ‘een formele erkenning van de donkere bladzijden uit de vaderlandse geschiedenis.’   

De minder florissante momenten uit ons verleden lijken inderdaad, doelbewust of niet, door de canoncommissie met zorg te zijn omzeild. Zo citeert men in het venster ‘VOC’ Jan Pieterszoon Coen:  “Hier kan iets groots verricht worden” – vermoedelijk als onderschrijving van zijn ‘VOC-mentaliteit’. Met ‘groots’ wordt in elk geval niet zijn aan genocide grenzende optreden op de Molukken  bedoeld, want dat blijft onvermeld. De politionele acties, het Nederlandse aandeel in de Jodenvervolging, het bejegenen van katholieken als tweederangs burgers, of politiek geweld tegen Van Oldebarneveldt en de gebroeders De Witt: het is niet of nauwelijks terug te vinden in de canon.

De hosanna-toon is nog prominenter bij onderwerpen die van oudsher aan de Nederlandse identiteit worden verbonden, zoals de strijd tegen en op het water, de schilderkunst van de zeventiende eeuw en onze handelsgeest. In het venster ‘Koning Willem I’ wordt de koning-koopman geprezen vanwege zijn doortastende economische initiatieven waarmee hij de ‘oude economische groei’ probeerde te herstellen. En passant krijgen de Belgen nog een sneer, want ‘ondanks zijn economische beleid, viel de koning bij de Belgen absoluut niet in de smaak’, aldus de canon. De kritische noot van Van der Heijden: Willems beleid kwam vooral hemzelf ten goede (‘bij zijn dood liet hij een Kadhaffi-achtig vermogen na’) en hij bracht het koninkrijk financieel in grote moeilijkheden door jarenlang met een onbetaalbaar leger tegen de Belgen te vechten.

Het positivisme van de canon is volgens Van der Heijden des te opvallender, afgezet tegen de ‘sorry-cultuur’ van eind twintigste eeuw. Niet alleen in eigen land maar in heel Europa klonk de roep om excuses voor eeuwen van kolonialisme en slavernij. Ook de Nederlandse nationale mythe van tolerantie leek te zijn ontkracht met het erkennen van de mislukte multiculturele samenleving en de moorden op Fortuyn en Van Gogh. Een meer gematigde en relativerende voorstelling van de eigen geschiedenis lag dan ook voor de hand.

 Amper een jaar na het verschijnen van de canon, kwam het tekenaarstrio Reid, Geleijnse en Van Tol met De historische canon van Fokke en Sukke. De vijftig historische vensters volgens Fokke en Sukke waren in de eerste plaats luchtig en komisch, maar ook vaak een kritische variant van de officiële versie. Voorzitter van de canoncommissie Van Oostrom schreef zelf het voorwoord voor het boekje en inmiddels zijn Fokke en Sukke ook op de officiële website (www.entoen.nu) te vinden. Zowel Van Oostrom als de canon staan dus wel open voor kritiek. En zo moet mijns insziens het initiatief van Van der Heijden dan ook worden opgevat: niet zozeer een afwijzing van de canon, maar ‘een poging het nationale verhaal beter in balans te brengen’, zoals hij zelf schrijft.

 Van der Heijdens eerste zwarte venster toont meteen de onbelichte kant van misschien wel het meest glorieuze moment uit onze geschiedenis: de Nederlandse Opstand. Enkele maanden na de inname van Den Briel (1 april 1572) werden in Gorcum (Gorinchem) negentien katholieke geestelijken door de Geuzen opgepakt en tien dagen lang aan martelingen onderworpen, totdat  zij op 9 juli in een schuur werden opgehangen. Alleen al de veronderstelling dat de protestantse opstandelingen minstens zulke wreedheden hadden begaan als de Spanjaarden was tegenstrijdig met het gewenste beeld; kritiek op de minder lovenswaardige daden van de Geuzen werd lange tijd opgevat als landverraad.

Met het uitwerken van de eerste tien vensters in zijn stuk in De Groene hoopt Van der Heijden het startschot te geven voor het samenstellen van een definitieve zwarte canon. Niet om een zwartgallige voorstelling van het verleden te geven, maar omdat, in de door hem aangehaalde woorden van Rudy Kousbroek, ‘in een beschaafd land de neiging zichzelf gunstig af te schilderen onderkend behoort te worden.’ Van der Heijden hoopt nadrukkelijk op veel input en suggesties voor zijn canon, ook van geschiedenisstudenten. Dus heeft u net een werkstuk geschreven over uitbuiting, massamoord of onderdrukking door onze Nederlandse voorvaderen? Eindeloos verwijst u graag door naar www.groene.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s