Grote woorden voor een klein idee

Met een mooi kaftje eromheen!!

Jonge Historici Schrijven SEKS

Wie herinnert zich niet de tomeloze begeestering van de oud-docent oudheid? Van Royen is vastbesloten om deze geestdrift niet te laten beteugelen, al helemaal niet door zijn verplichte pensioen van vorig jaar. Een cursus ‘Iedereen kan Klassieke Talen’? Hij gaat er voor. Iets komen vertellen in De wereld draait door? Hoera! Met zijn meest recente project betreedt de geliefde docent echter het grijze gebied tussen gezellige megalomanie en onwelkome krankzinnigheid.

Glunderend stonden ze op een podium: Van Royen en een groepje studenten en oud-studenten met een goed gevoel voor PR. En ze glunderden met recht, daar er zojuist een filmpje aan de redelijk gevulde CREA-zaal was getoond dat, zowel qua spanning en sensatie als qua historische clichés en onnauwkeurigheden, Oscar-waardig was. De oprichting van Jonge Historici Schrijven Geschiedenis was een feit. René van Royen jubelde dat zich een revolutie had voltrokken: veel meer dan een clubje studenten dat scripties voor de vergetelheid behoedt, was hiermee de eerste online uitgeverij uitgevonden. De Jonge Historici maakten ook buiten hun vaste ‘Web 2.0 omgeving’ Facebook furore en veroverden dankzij mediakanon Geerten Waling – naast de kolommen van Het Parool, een interview op Radio 2 en een eervolle vermelding in De Volkskrant – zélfs een stukje in kwaliteitsblad Babel.

De titel ‘eerste online uitgeverij’ mogen ze wat ons betreft voeren; en als ze de gladjes opgemaakte boekjes straks – in ’s werelds eerste enveloppe – naar de goedbetalende donateurs sturen, moeten de jonge hysterici dat vooral van de daken schreeuwen. Maar waarom moeten de werkstukken van studenten geschiedenis eigenlijk worden uitgegeven? Op de veelgeplugde website zetten ze onbeschroomd hun bedenkels uiteen.

‘Een essentieel onderdeel van de universitaire opleiding tot historicus is het schrijven van werkstukken, essays en scripties, die alle slechts door één docent worden gelezen alvorens ze roemloos in de prullenbak verdwijnen of, in het beste geval, kortstondig dienst doen als onderzetter, kladblok of pakpapier voor een boterham oude kaas.’

Wás het maar zo. Déden deze werkstukjes maar dienst als kladblok. In een duurzame, meer kwaliteitsbewuste wereld zouden de papieren dragers van de academische broddelwerkjes daarmee inderdaad een goede bestemming krijgen. In de praktijk zijn er echter helaas steeds weer hamsterende types die alles in archiefmapjes en lades laten verdwijnen, waardoor het een zweem van waarde krijgt die geen enkel werkstuk verdient. ‘Graag gedaan’, schrijven ze er nog onder, maar hun toon van bravoure verhult een oefening in zelfverheerlijking en gebakken lucht.

Hebben de Jonge Historici zich wel afgevraagd of de boekjes die ze uitgeven ook lezenswaardig zijn? Want jongens en meisjes, laten we elkaar geen mietje noemen: eerlijkheid duurt helaas ook in dit geval het langstuurboete-plichtig langst. We zijn als achttienjarigen op deze faculteit gekomen om te leren een degelijk stuk te schrijven. In de eerste twee jaar wordt ons aangeleerd om er een inleiding vóór, en een conclusie achter te plakken en afgeleerd om in de inleiding ‘mijn werkstuk gaat over de hongerwinter’ en in een voetnoot ‘bron: internet’ te schrijven. Dat leerproces is een lange, pijnlijke weg. Pijnlijk voor de student, die een nachtje moet doorhalen terwijl hij zachtjes huilend met  zijn eigen onkunde wordt geconfronteerd; en nog pijnlijker voor de docent, die zich door het resultaat heen moet worstelen zonder het papier in stukken te scheuren – en dat dertig keer achter elkaar. Dat is niet leuk, en daarom betalen we deze mensen ook royaal, maar het is nodig. Een aantal studenten leert tegen zijn derde jaar een behoorlijk stuk te schrijven, en krijgt een 8,5. De rest leert dat niet en stapt over naar Media en Cultuur, of schrijft een belabberde scriptie en krijgt na herschrijven een 7, of de welbekende ‘Melching’ 8.

Werkstukken zijn oefenwerkjes, met een vast stramien en via vaste methodes beoordeeld. Dat maakt ze uitermate geschikt voor commentaar en verbetering van de schrijver, maar nauwelijks lezenswaardig. Als het goed onderzoek is, of een gouden vondst in het archief, kun je van het werkstuk een scriptie maken. Als die scriptie dan ook nog eens aardig lukt, kan die herschreven en gepubliceerd worden in Skript. In het zeer onwaarschijnlijke geval dat de student én de eindstreep van zijn studie haalt, én fantastische stukken produceert, zijn daar, hey presto!, enkele honderden vaktijdschriften die staan te springen om artikelen over de meest onwaarschijnlijke nicheonderwerpen af te drukken.

Zo ver komt het zelden; en dat selectie- en afvalproces is er met goede reden. De geschiedwetenschap is een zee van sub-onderzoeksgebiedjes en specialisaties, en ieder obscuur vaktijdschrift drijft op een zee van publicaties. Moeten we dan nog een kraan aan tekst open zetten? Wij nodigen u uit om even voor u zelf na te gaan hoe veel artikelen in Skript u daadwerkelijk heeft gelezen, en hoe veel enthousiasme zelfs uw bloedeigen ouders toonden voor uw Bachelorscriptie. En dan hebben we het nog over de bovengemiddeld geïnteresseerden. Voor zo’n 90% van de Nederlandse bevolking is de meest historische reflectie die zij tot zich nemen het zondagse weekoverzicht van SBS Shownieuws. En dat is prima.

Zelfs als we met de beste bedoelingen naar de webstek van de Jonge Historici afsurfen, en daar net doen alsof we opeens een enorme drang voelen om alles te weten te komen over Dolph Lundgren (‘de ware universal soldier?’) blijven de vragen knagen: was dit een werkstuk van een tweedejaars, of een Masterscriptie? Kreeg het een 9+ of is de auteur een boezemvriend van een Jonge Historicus? De wetenschap dat we zelf vlak voor de deadline nog wel eens een voetnoot uit onze duim willen zuigen (immers, het is maar een werkstuk) doet de autoriteit van wat we lezen ook geen goed. In het lijvige ‘Little boy, fat man’ knappen we al snel af op de veelheid van vreemde lettertypes, de inconsistente redactie en dat Fijne Amerikaanse Gebruik Van HoofdLetters in iedere titel. Zo hebben jullie dat niet geleerd, Jonge Historici! Toen we met goede moed verder wilden ploegen verslikte de UvA-pc zich helaas in de veelheid van PDF-pagina’s.

Kortom: de conclusie blijft dat een mooie plaat uit het WikiCommons-domein en de spellingscontrole van Word van deze kikkers geen prinsen kan maken. Helaas spreken René en zijn Jongens het voornemen uit om dit toch veelvuldig te gaan proberen: ‘op deze wijze [willen we] nog veel meer mooie werkstukken uit heel Nederland behoeden voor de vergetelheid en beschikbaar maken voor liefhebbers van aantrekkelijke geschiedschrijving op hoog niveau.’ Wij vrezen met grote vreeze dat ze met ‘mooie werkstukken’ geen vooroorlogs breiwerk of Drenthse landschapsminiaturen bedoelen en kunnen onze medestudenten slechts vanaf deze pagina’s een halt toe proberen te roepen: jongens, het is niet alleen oude, maar ook onrijpe wijn in nieuwe zakken!

Wij komen niet in het Parool, laat staan in de Babel, en met al hun fris, Jong Historisch optimisme zal deze bede wel aan dovemansoren gericht zijn. Niettemin: graag gedaan.

Een gedachte over “Grote woorden voor een klein idee

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s