Herinneringen aan Herman

Bob van Toor – Na een loopbaan van vierenveertig jaar is de bron aan Beliën-anekdotes natuurlijk onuitputtelijk. Eindeloos vroeg Hans Goedkoop en Beerd Beukenhorst, die beiden het geluk hadden ooit pupil bij Beliën  te zijn, naar hun herinneringen.

– Beerd Beukenhorst

Het is grappig om hem mee te hebben gemaakt als student, en later als docent samen colleges te geven. Als student vraag je je soms af of hij het allemaal verzint, en als docent kwam ik er achter dat dat dus inderdaad zo is. De ene keer bereidt hij iets heel goed voor, dan improviseert hij weer ter plekke een heel college. Hij heeft een aantal standaard verhalen en formuleringen waar hij in zo’n geval op terug kan vallen, vooral als de improvisatie een beetje mis gaat. Dan stuurt hij bijvoorbeeld aan op het socialisme, ook als het college daar aanvankelijk niet over ging, en komt dan via ‘het vieze vierletterige woord’, Marx, uit bij de interpretaties van Freud. Dat verhaal heb ik gehoord bij wetenschapsfilosofie, maar ook bij Major Issues in American History – het vak maakte niet zo veel uit.

Ondanks dat er veel op hem is gemopperd, ook door studenten, raakt de faculteit met Herman een speciaal type docent kwijt. Een soort docent die zijn eigen ruimte neemt, en niet binnen de lijntjes kleurt. Het maakt hem niets uit als zijn methode studenten niet bevalt. Vroeger dacht ik daarom dat hij studenten vooral als een publiek zag, waar hij verder totaal geen feeling mee had, maar dat klopt niet. Als je met hem samenwerkt zie je dat hij juist zeer betrokken is en het beste in studenten naar voren wil halen, althans, uit een aantal. Bijvoorbeeld door altijd alle papers van een werkgroep persoonlijk in een gesprek door te nemen, en niet via zo’n mailtje. Hoewel dat misschien ook komt omdat hij nog met twee vingers typt.

– Hans Goedkoop

“AL WIE HIER BINNENGAAT!”

Het te vergeten is mij nooit gelukt. Zomer 1982, openingscollege voor de eerstejaars geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Gedwee zaten wij in de houten bankjes van de Oudemanhuispoort, op het podium stond de spreker, en hij zag eruit of hij er zin in had. Met twinkelende ogen keek hij op ons neer en nam het woord.

Dames en heren,

Aan mij de eer u te verwelkomen. Van harte. U bent hier met driehonderd eerstejaars. Dat is een absoluut record voor ons en daar zijn wij verguld mee, wij zijn ook maar mensen en dus graag getapt. Maar dat neemt niet weg dat wij ons afvragen waar wij dit aan te danken hebben.

Ja, wat u hier denkt te komen doen.

Onder u zijn er misschien die menen dat u bij een opleiding hier aan de alma mater, als dat woord u al iets zegt, de koesterende aandacht kunt verwachten van docenten die niets anders aan hun hoofd hebben dan uw ontwikkeling. Laat ik u zeggen, zo zal het niet gaan. Zo is het nooit geweest, dit is een instituut voor zelfstudie, en uw recordaantal zorgt dat het zo zal blijven. Wij docenten doen gedurende uw eerste jaar de ogen dicht. Naar schatting zal de helft van u dan afvallen, misschien iets meer, en op de overblijvers werpen wij daarna een eerste blik.

Ook zijn er onder u misschien die denken dat u na uw studie hier een baan kunt krijgen, wie weet zelfs een baan aan deze faculteit. Laat ik u zeggen, die baan is er niet. Die heb ik al. Die hou ik ook nog even, want ik mag dan kaal zijn en dus in uw ogen oud, ik ben nog lang geen 65, en gelooft u mij, hoe geniaal men mij ook vindt, de kans op een andere baan is zelfs voor mij bepaald gering. Geschiedenis, u weet dat mogelijk, richt zich op het verleden, en de wereld richt zich op de toekomst.

Onder u zijn er misschien ook die zich al verzoenen met de werkloosheid die u wacht en aan de studie toch bevrediging verwachten te ontlenen in de overtuiging dat u op z’n minst zult leren van de geschiedenis. Dat de wereld leert van de geschiedenis. Welnu, laten we dat dan ook meteen maar rechtzetten. Dat is het eerste misverstand waarvan wij u hier hopen te genezen. Wat de geschiedenis ons leert, is dat de wereld er niet veel van leert. Van de geschiedenis, het woord zegt het al, maar nu u nog, dames en heren, leren we geschiedenis.

En zo verder. Het duurde een academisch uur, toen mochten we de zaal weer uit en restte ons de automatenkoffie in de hal. Daar stonden we, tas in de hand en ziel onder de arm. Dit werd ons leven. Al wie hier binnengaat, laat uw hoop varen.

Wisten wij veel dat het eigenlijk best goed met ons zou komen. Dat we om de woorden van de spreker zouden leren lachen, al vrij snel zelfs, zoals dat hij er zelf ook hartelijk om bleek te kunnen lachen. Dat hij niet zo hoog in de boom van de wetenschap zat als het leek, in vrije uren zelfs een popularisator van geschiedenis was, in werktijd bovendien best hart had voor studenten en bij ouderejaars een reputatie had verworven die hij ook bij ons al gauw zou waarmaken. Die met die stem die je nooit meer vergeet. Baldadig, provocerend en soms ronduit penetrant docent. De enige op het historisch seminarie bij wie je nooit afdwaalde en altijd in de lach schoot, ongeacht het onderwerp of het uur van de dag of je humeur.

Herman Beliën. Historisch standwerker.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s