Afscheidsinterview Herman Beliën

‘Bij reizen en kleine werkgroepen was ik op mijn menselijkst’ – Herman Beliën blikt terug op vierenveertig jaar aan de UvA

Clara van de Wiel – Het kost enige moeite Herman Beliën zover te krijgen zich nog eenmaal te laten interviewen. Eigenlijk is alles onderhand wel een keer gezegd, zo voert hij zelf aan. Na het nodige aandringen -en een verrassingsaanval op het terras van Scheltema- gaat hij echter overstag en mag Eindeloos langskomen op zijn kamer aan de Spuistraat 134. En gelukkig maar, want het volgend jaar zal het een stuk moeilijker worden om Herman Beliën in het wild te treffen aan de faculteit. De geliefde en gevreesde, gevierde en verguisde docent Nieuwste Geschiedenis en Amerikanistiek gaat binnenkort met pensioen, en dit speciale Herman Beliën Zomernummer van Eindeloos is natuurlijk niet compleet zonder een terugblik van de Schoolmeester des Vaderlands zelf.

De opleiding geschiedenis is na vierenveertig jaar bijna ondenkbaar geworden zonder uw aanwezigheid. Hoe bent u hier destijds verzeild geraakt?

‘Toen ik in 1964 kwam studeren waren er welgeteld achttien eerstejaars geschiedenis, tegen wie meteen werd gezegd dat ze sowieso geen werk zouden vinden. Dat kon mij natuurlijk niks schelen en eigenlijk wilde ik het liefst leraar worden in Barneveld of iets dergelijks. Maar al tijdens mijn studie werd ik door hoogleraar Oude Geschiedenis Bram Breebaart gevraagd of ik zijn kandidaatsassistent wilde worden. Ik moest daar zelf maar zo’n beetje verzinnen wat ik zou gaan doen, en aangezien de boeken van Oude Geschiedenis op dat ogenblik op volslagen onoverzichtelijke manier gesorteerd waren op datum van binnenkomst ben ik ze maar eens op onderwerp neer gaan zetten. In die boeken staat nu trouwens nog steeds in mijn handschrift het nummer dat ik ze heb gegeven genoteerd. Dat was in dat doodverlaten gebouw van Oude Geschiedenis aan de Weesperzijde en het meest sensationele dat ik daar ooit heb meegemaakt is dat er met een enorme knal een tram rechtdoor de gevel van het naastgelegen pand in was gereden. Bij ons was helaas niks stuk, maar dat was wel zo’n beetje het hoogtepunt van mijn assistentschap. Toen ik afstudeerde in 1969 was het aantal eerstejaars plotseling gegroeid naar tachtig en moest er natuurlijk personeel komen. En aangezien ik toch al leraar wilde worden heb ik het maar gedaan, toen ze me in dat jaar vroegen docent bij Oude Geschiedenis te worden.”

Begonnen bij de Oude Geschiedenis dus, maar lang bent u daar niet gebleven.

‘Nee, ik heb daar ook echt een vreselijke tijd gehad. Na drie jaar ben ik zelfs weggegaan om leiding te gaan geven aan de docentopleiding geschiedenis, waar ik overigens een geweldige tijd heb gehad met mensen als Peter van der Eerden en Fik Meijer. Na drie jaar werd ik echter weer opgebeld door de UvA of ik een hoorcollegereeks met Maarten Brands wilde verzorgen en zodoende ben ik bij de vakgroep Nieuwste Geschiedenis terecht gekomen. En daar ben ik nooit meer weggegaan. Dat was in 1975, en ergens in de jaren ’90 ben ik nog verder gespecialiseerd richting Amerikanistiek.’

Het is op z’n zachtst gezegd een opmerkelijk carrière: van Oude Geschiedenis naar Nieuwste Geschiedenis, naar Amerikanistiek en momenteel bovendien vooral Public History. Waar ligt nu werkelijk uw hart?

‘Ik heb geen hart. Achter die vraag zit de gedacht dat mensen een ‘echte’ kern zouden hebben. Daar geloof ik niet in. Wat er in je leven allemaal op je pad komt is voor het grootste deel gewoon een geval van op het juiste moment op de juiste plek zijn. Om nu te zeggen dat ik iemand ben die al op z’n twaalfde ‘s nachts wakker werd met het een visioen van het historische probleem dat ‘ie ging oplossen: nee. Wat ik bovendien het belangrijkste vind is met welke mensen je iets kunt gaan doen.’

Dat moet ook een rol hebben gespeeld bij het verbreden van uw historische werk, bijvoorbeeld de publiekscolleges die u bent gaan geven.

‘Dat klopt. In de jaren ’90 kwam ik samen met een ex-studente, Ineke van Tol, op de gedachte colleges voor ouderen te gaan organiseren. De UvA wilde en wil dat nog steeds niet – in de rest van de wereld bloeit het HOVO-gebeuren (Hoger Onderwijs Voor Ouderen, red.) maar bij de UvA willen ze er natuurlijk ‘gelukkig’ niet aan. Ik ben dat vanuit de vakgroep zelf gaan organiseren en dan niet door het aanbieden van hoorcolleges Vroegmiddeleeuws Recht, om vervolgens te gaan zoeken naar zes oude gekken die dat misschien op prijs stellen. Ik draaide het juist om: wat zouden mensen van die leeftijd leuk vinden? Er waren toen veel jonge VUT-ters: mensen van in de 50 die nog lang niet doodgingen en graag terug wilden naar de universiteit, maar wel voor onderwijs over populaire onderwerpen. Met de vakgroep sprak ik af dat ik Van Tol voor haar werk zou betalen en de rest van het geld in de vakgroeppot zou gooien. Dat ging drie jaar goed, tot ik op een dag op het matje werd geroepen. Het kon natuurlijk niet dat het via mijn rekeningnummer ging en geheel buiten de UvA-administratie, en wat niet al meer. Terwijl ik er nooit een dubbeltje aan over had gehouden. Ik weet trouwens nog wie de verrader was, maar dat ga ik nu natuurlik niet meer zeggen. Ik heb het toen nog een tijdje via de faculteit onder naam van de UvA georganiseerd, maar toen ze steeds vervelender eisen gingen stellen zijn we voor onszelf begonnen. En vanaf dat moment ging het geld wel gewoon in onze eigen zak! En dat bestaat nog steeds onder de noemer stadsverkenning.nl. Het is bovendien uitgebreid met reizen en ga ik zo’n drie keer per jaar met een groep mensen op reis. Dat varieert van Umbrië tot een op handen zijnde reis naar Java. Voor een dergelijke reis lees ik me dan als de sodemieter in, hoewel je nooit op het niveau van de specialist komt. Maar dat is ook niet nodig, als je twintig van de juiste boeken gelezen hebt is dat prima.’

Daarover gesproken, u bent nooit gepromoveerd. Heeft dat u ooit gehinderd in uw academische loopbaan?

‘Dat is inderdaad mijn grootste ramp. Ik beschouw mezelf als academicus, maar wel een met een vlek. Het was vooral een handicap bij het scheren. Dat je jezelf in de spiegel aan moet kijken en denkt: dát is je niet gelukt. De UvA heeft er nooit over geklaagd en zelf ben ik er inmiddels ook wel overheen, maar het heeft wel heel erg lang gestoken.’

Onder studenten werd en wordt u gevreesd om uw rake opmerkingen tijdens hoorcolleges. Hoe kijkt u daar zelf op terug?

‘Daar ben ik nog altijd heel tevreden over. Ik zit tegenwoordig wel eens achterin de zaal bij een collega en als ik zie wat er allemaal op de beeldschermen van die studenten gebeurt denk ik: ja, maak ‘m nou effe! Ik vind echt dat er wat moet gebeuren tijdens die colleges. Dat je niet zomaar elk jaar dezelfde samenvatting zou kunnen downloaden, maar dat je mensen dwingt om na te denken en ter plekke iets te bedenken of te zeggen. Mensen schrikken tijdens het eerste college altijd en gaan dan de volgende keer helemaal achterin zitten. Dan loop ik naar achter en pak ik ze weer. Dat is mijn manier van lesgeven. In de loop der jaren ben ik trouwens wel ongelooflijk mild geworden. Vroeger was ik ongehoord, maar ik heb gemerkt dat dat contraproductief werkt. Het was bovendien vooral een sterke onzekerheid. Ik was bang dat mensen te dicht bij kwamen, als ze bijvoorbeeld kwamen zeggen hoe goed het allemaal was. Dát vond ik erg zeg! En daar deed ik dan meteen iets aan en zei direct: ‘Man, zit niet zo te slijmen’, of nog iets veel harders. Later begreep ik wel dat dat nergens op sloeg. Ik deed wel mijn best het zo goed mogelijk te doen, maar mensen moesten vooral niet zeggen dat het leuk was.

‘De interactie met studenten heb ik altijd wel ontzettend leuk gevonden. En bij reizen en kleine werkgroepen was ik ook wel op mijn menselijkst. In de jaren ’90 heb ik een tijd een college gegeven over de stadsgeschiedenis van Rome, waarin we elk jaar een maand met een groep studenten naar Rome afreisden. Dat vond ik fantastisch, ze kwamen daar in een context terecht waar iedereen bezig was met echte wetenschap en voor die studenten werd voor het eerst duidelijk dat dat geleerde bestaan, dat zij dat ook zouden kunnen willen! Die verhalen van wetenschappers, die smakelijk zaten te vertellen over hun manuscript in de Vaticaanse bibliotheek, was voor mensen die aan het begin stonden van zo’n geschiedenisstudie fantastisch. Van een aantal studenten heb ik daar gewoon de luiken zien opengaan en die hebben het heel ver gebracht.

Naast uw werk als docent binnen en buiten de universiteit bent u bij het grote publiek vooral bekend als de schoolmeester van de televisie. Was dit een bewuste carrièrekeuze?

‘Nee. Bij mijn eerste televisieprogramma (‘Bestaat Nederland wel?’, 1999, red.) zat een kandidaatsassistente van mij in de redactie. Alle redactieleden mochten namen aandragen voor de functie van presentator en naast de gebruikelijke lijst met popsterren stond ik daar dus ook op. Na een verkennend gesprek werd ik gevraagd een screentest te doen. Ik wist op dat moment überhaupt niet wat dat was, maar op een zaterdagmiddag moest ik samen met een hoogleraar van de UvA, wiens naam ik niet meer zal noemen, een verhaal vertellen voor een camera. Toen ik er vandaan kwam was ik zo vol adrenaline dat ik naar Tuschinski ben gegaan en een kaartje voor de film ‘Face Off’ heb gekocht. Van die hele film heb ik niks meegekregen; ik kon de hele tijd alleen maar denken: dit lijkt me zo ontzettend leuk, dit moet ik doen! En gelukkig mocht ik het ook gaan doen en vind ik het nog steeds ontzettend leuk. Ook mijn huidige werk voor het AT5 programma ‘Oneindig Noord-Holland’. Dat je iets bedenkt en het even later op de televisie terugziet, dat is echt een feest om te doen. Ik hoop dat ik daar nog wel even mee door kan gaan, maar dat hangt natuurlijk altijd af van of er geld beschikbaar is. Ondertussen weet ik dat ik in ieder geval dat ik het kan, en dat ik het zelfs vrij goed kan.

Kon u deze nevenactiviteiten goed met uw werk als academicus combineren?

‘Tijdens mijn grote televisieklussen nam ik onbetaald verlof. Maar mijn collega’s aan de universiteit vonden het inderdaad over het algemeen maar niks. Dan kwam ik een collega tegen op de gang die zei: ‘Herman, ik hoor dat je op de televisie bent.’ De manier waarop hij dat zei was al alsof hij naar een pleepot zat te kijken, en toen ik bevestigend antwoordde keek hij me patriarchaal aan en zei hij ‘Maar dat is toch niks voor ons hè.’ Die reactie kwam van sommigen, maar anderen vonden het ook wel weer spannend hoe ik me er deze keer weer doorheen zou slaan. Zelf vond ik het allemaal nog steeds prachtig.

Hebben negatieve reacties u werkelijk nooit geraakt? De affaire over uw Langs Rembrandts Roem moet een smet zijn geweest.

‘Dat was inderdaad vervelend. Ik heb er geen cent aan verdiend, maar ik had dat nooit zo moeten doen. Het blijft echter wel raar: als je als hoogleraar een handboek schrijft over je eigen onderwerp mag je dat boek niet op je eigen universiteit laten verkopen want dat is ‘zakken vullen’. In Amerika zou zoiets nooit een probleem zijn. Ik vond dat toen al absurd, maar ik was natuurlijk partij en dan heb je geen recht om daar iets van te vinden. Uiteindelijk komt iedereen met zulke dingen in aanraking, of je moet je als grijze muis in een kast opsluiten. Dat hoort gewoon bij de confrontatie tussen leeftijden. Ik heb zelf ook altijd graag mensen voor gek gezet, en het was natuurlijk lachen dat ik in dit geval van mijn voetstuk viel. Maar hier werd wel de illusie gewekt dat ik heel veel geld uit mensen hun zakken wilde kloppen en dat was niet eerlijk. Ik heb er desondanks geen slapeloze nachten van gehad: in mijn privéleven heb ik dingen meegemaakt die gruwelijk waren, daar heeft de universiteit nog nooit aan kunnen tippen.

En nu komt het einde in zicht. Een nieuw begin of vooral erg jammer?

‘Ik heb het vierenveertig jaar gedaan. Het is volstrekt terecht dat er een ander komt. Het nakijken van schriftelijke tentamens vond ik trouwens een ramp. Ik ben vaak op reis gegaan met die pakken en een vlucht van twaalf uur was dan ideaal: dan kan je nergens naar toe en moet je wel. Ik moet nu nog één herkansing nakijken en dat wordt absoluut de laatste keer. Verder zal ik vooral veel blijven reizen. Toen ik onlangs in Sydney was werd ik enorm gegrepen door die fantastische stad. Nu ben ik gevraagd daar een aantal maanden te komen werken en dat ga ik dus doen. Verder ben ik met Paul Knevel bezig met een boek over Johannesburg waarvoor ik ook nog een tijdje naar Zuid-Afrika ga. Ik blijf gewoon reizen als een gek en op een gegeven moment houdt dat ongetwijfeld ook op. Dan blijf ik tennissen, of ik ga gewoon dood. Misschien word ik wel heel ongelukkig. Ik denk het niet, maar je weet maar nooit. Ik heb de geraniums al vast besteld, maar ze hoeven voorlopig nog niet afgeleverd te worden.

3 gedachten over “Afscheidsinterview Herman Beliën

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s