Een strafbare ontkenning der geschiedenis

Het strafrecht als wapen tegen het Holocaustrevisionisme

Stephanie Blom – Zo nu en dan verschijnt in de media een bericht dat er tegen deze of gene aangifte gedaan wordt wegens het ontkennen van de Holocaust. Zo werd op 14 maart jongstleden bekend dat zowel het Meldpunt Discriminatie Internet als het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël aangifte doen tegen voormalig advocaat Jeroen de K. wegens antisemitisme en het ontkennen van de Holocaust.

Volgens het MDI is De K. de grootste propageerder van jodenhaat op Nederlandse websites. Nu werd de voormalig raadsman in 2007 al veroordeeld voor het stalken van toenmalig minister-president Jan Peter Balkenende, dus dat de man niet de leukste figuur is moge duidelijk zijn. Over het feit dat het ontkennen van de Holocaust een belachelijke en moreel verwerpelijke exercitie is, zullen velen het eens zijn. Of een revisionistische kijk op de Shoah een strafbaar feit is daarentegen, zijn de meningen verdeeld.

In tegenstelling tot andere landen kent Nederland geen bepaling in het Wetboek van Strafrecht of daaraan gelieerde wet- en regelgeving die het ontkennen van de Holocaust strafbaar stelt. Momenteel is in de Eerste Kamer wel een wetsvoorstel uit 2007 aanhangig waarin het in het openbaar ontkennen, op grove wijze bagatelliseren, goedkeuren of rechtvaardigen van volkerenmoord en misdrijven tegen de menselijkheid strafbaar wordt gesteld. Ondanks het gebrek aan een strafbepaling wordt het recht ook in Nederland zo nu en dan aangewend om hen die Holocaust ontkennen strafrechtelijk te vervolgen. Sinds 1997, toen de Hoge Raad het befaamde arrest-Verbeke wees, kent het hoogste rechtscollege de jurisprudentiële gewoonte om de enkele ontkenning van de Holocaust, zonder dat deze gepaard gaat met verdere beledigende uitlatingen,  aan te merken als een strafbare groepsbelediging in de zin van art. 137c Sr. In dit artikel is bepaald dat hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens  ras, godsdienst of levensovertuiging, hetero- of homoseksuele gerichtheid of lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, gestraft wordt met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van maximaal 7600 euro.

Het beledigende element van de strafbare groepsbelediging mag echter niet te breed worden opgevat. Het is niet zo dat iedere uitspraak die grievend is voor een bepaalde groep, ook een strafbare belediging van die groep oplevert. Zo zal kritiek op de handelswijze van de katholieke kerk door sommige katholieken als kwetsend worden ervaren, maar daarmee vormen dergelijke uitingen nog geen belediging van de katholieke bevolkingsgroep. Ook is het zo dat de betreffende groep een zekere maatschappelijke schade moet lijden door bepaalde uitlatingen. Het moge duidelijk zijn dat de uitspraken van Geert Wilders de kijk op het islamitische volksdeel aanzienlijk en in rap tempo hebben doen veranderen, waardoor deze groep maatschappelijke schade lijdt. De gevallen waarin jongeren met een Arabische naam onder een Nederlands pseudoniem solliciteren omdat zij daarmee meer kans denken te maken voor een gesprek te worden uitgenodigd zijn niet van de lucht. Bij het ontkennen van de Holocaust is die vereiste maatschappelijke schade echter minder duidelijk. Het ontkennen van de genocide wekt enerzijds de suggestie dat het joodse volk een grootschalige leugen op touw heeft gezet en die tot op de dag van vandaag in stand houdt, maar anderzijds zijn dergelijke uitlatingen zo waanzinnig dat dit volk daarvan geen of nauwelijks nadelige gevolgen ondervindt. Dat een ontkenning van hun leed kwetsend is staat natuurlijk buiten kijf.

De vraag rijst of het strafrecht wel zo’n geschikt middel is om het ontkennen of bagatelliseren van de Holocaust tegen te gaan. Het doet vreemd aan dat het ontkennen van een historische gebeurtenis of het anders interpreteren van het bewijs dat voor die gebeurtenis bestaat een strafbaar feit oplevert. Bovendien is het revisionisme momenteel ondergebracht bij een strafbepaling die daar eigenlijk niet voor bedoeld is, wat lijdt tot een juridisch zeer schlemielige constructie. Ook wordt het historisch debat over deze kwestie er door gecensureerd en dat is een onwenselijke ontwikkeling in een samenleving als de onze. De maatschappelijke schade die Holocaustontkenners zelf lijden door hun ridicule beweringen – wat zal hun werkgever er wel niet van denken? Of hun schoonmoeder? – zijn voldoende straf en schade. De beantwoording van de vraag of de moord op zes miljoen joden in de jaren tussen 1940 en 1945 nu wel of niet heeft plaatsgevonden is aan historici en de strijd dient gestreden te worden in de arena van het historisch debat. Laten we deze kwestie aan wijze raadsheren en de rechtspraak, dan ontstaat een vorm van staatsgeschiedschrijving; de rechterlijke macht en de overheid bepalen wat wel en niet plaatsgevonden heeft in het verleden en leggen dit vast in wetsartikelen en vonnissen. Deze praktijk uit een bloedrood verleden is hoogst verwerpelijk en hoort niet thuis in een moderne democratische rechtsstaat.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s