Recensie Begraafplaats van Praag

Micha van der Wal – Umberto Eco kan zonder overdrijven gezien worden als de grootmeester van de moderne historische roman, een Walter Scott van onze tijd. Net als laatstgenoemde heeft ook Eco veel geschreven over de middeleeuwen, zij het met een totaal andere insteek. De nieuwste roman van de Italiaanse semioticus gaat echter over de eeuw waarin Sir Walter leefde, de fameuze negentiende eeuw, volgens de achterflap: ‘misschien wel de meest megalomane eeuw aller tijden’, een formulering die overigens regelrecht uit het wereldtijdschrift van Elschots Boorman kan komen.

De hoofdpersoon is ene Simone Simonini, een leugenaar en bedrieger, vervalser en charlatan, kortom een man van weinig principes. In het boek stelt hij zijn memoires op schrift en worden de passages die hij vergeten is aangevuld door de mysterieuze abt Dalla Picolla. Deze memoires beslaan het grootste deel van de negentiende eeuw, ongeveer de tweede helft. Ondertussen speelt de vraag wie deze abt is die ook in het boek van Simone schrijft. Is hij iemand anders, is hij Simone zelf? De twee identiteiten worden zo sterk uitgespeeld dat de lezer zich afvraagt of Simonini en abt Della Pico samen de fight club hebben bezocht.

Het boek leest als een detective uit dadersperspectief –de perfide Simone somt vol tevredenheid zijn verrichtingen op en laat niet na te vertellen hoe hij er beter van geworden is. Het leest ook als een wordingsgeschiedenis van een wereldbeschouwing, die van het systematische antisemitisme. De logica van de antisemiet, of eigenlijk van elke complotbouwer wordt op elke bladzijde opnieuw bekrachtigd: alles wat het stereotype bevestigt wordt toegejuicht en alles wat het tegenspreekt wordt óf omgebogen zodat het opnieuw stereotype wordt, óf benoemd tot uitzondering die de regel bevestigt. Wat recht is, praten we krom en Simone is daar een onmiskenbaar grootmeester in.

In zijn memoires vertelt Simone hoe hij wordt ingelijfd bij de geheime dienst, eerst die van Piemont en daarna de Franse. Willens en wetens raakt hij in allerlei complotten verwikkeld, van de Risorgimento tot de Parijse commune, en speelt hij voortdurend dubbelspel. Er is vrijwel geen belangrijke negentiende-eeuwse gebeurtenis die niet in het complot wordt verweven en uiteindelijk culmineert dit alles in de Protocollen van de Ouderlingen van Zion, waaraan Simone zijn medewerking verleent. Ook laat Eco ook vele bekende historische figuren opdraven, zoals Freud, door Simone consequent als Fröid gespeld, Marx, Dumas en Garibaldi.

Interessant is ook dat het boek zich uitstekend leent voor een vulgair-Freudiaanse lezing: Simone is overduidelijk een misogyne, aan jurkangst lijdende celibatair, die geen moeder gekend heeft en zijn seksuele driften sublimeert in zijn passie voor eten. Het wordt de lezer op een presenteerblaadje aangereikt, vooral omdat Simone zo nu en dan naar de Weense Joodse dokter verwijst. Door Simone’s culinaire passie krijgt de lezer en passant ook een culinaire reis aangeboden. Simone laat zich geen kans ontnemen om zijn favoriete gerechten op te dissen en door alle beschrijvingen van gerechten uit het boek op te schrijven kan een aardig historisch kookboek samengesteld worden.

Thema’s die Eco lief zijn komen opnieuw aan bod in dit boek, en wat dat betreft is het qua thematiek ook sterk verwant met zijn eerdere werken, zoals de Naam van de Roos, de Slinger van Foucault en Baudelino. Complotten, onbetrouwbare vertellers en perversiteiten zijn niet van de lucht. Juist vanwege dit hergebruik van thema’s heeft de lezer het gevoel dat Eco slechts zijn kunstje doet, erudiet en wel – ditmaal op de begraafplaats van Praag. Natuurlijk heeft Eco het doorspekt met allerlei anekdotes uit de negentiende eeuw: het boek is ook een opsomming van, in de ogen van de hedendaagse lezer, negentiende-eeuwse eigenaardigheden. Dit vervreemdende effect vergroot Eco door Simone ze met de grootste vanzelfsprekendheid uit te laten spreken. Dit soort anekdotes niettegenstaande leest het boek helaas meer als een stijloefening dan als een spannende roman. Dat terwijl de geschiedenis van de protocollen van de Ouderlingen van Zion op zichzelf al een spannend boek kan zijn, zoals bijvoorbeeld The non-existent manuscript : a study of the Protocols of the sages of Zion van Cesare G. De Michelis bewijst. Daarnaast beslaat Eco’s roman zo’n uiteenlopende reeks van gebeurtenissen, dat de lezer meer het gevoel heeft een opsomming van negentiende-eeuwse gebeurtenissen te lezen dan een spannend boek. Dat is jammer, maar het is uiteindelijk gelukkig ook zo dat een middelmatige Eco, die tweehonderd bladzijden korter had gekund, nog steeds een heel aardig boek is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s