Wyger Velema over hoogleraarschap, studenten en toekomstplannen

‘Met die vier lettertjes voor je naam luisteren mensen iets beter naar je’

Maria  Veder – Wyger Velema mag zich sinds kort bijzonder hoogleraar Geschiedtheorie en geschiedenis van de geschiedschrijving noemen. Sinds zijn promotie bij professor John Pocock in de Verenigde Staten op Nederlandse politieke theorieën in de achttiende eeuw, heeft Velema (1955) zijn onderzoek op dit gebied voortgezet in eigen land. Na Enlightenment and Conservatism in the Dutch Republic: The Political Thought of Elie Luzac (1721-1796) en Republicans: Essays on Eighteenth-Century Dutch Political Thought vormde zijn oratie eind vorig jaar, over het gebruik van de klassieke oudheid door Nederlandse politici in de achttiende eeuw, een mooi vervolg zowel als een nieuwe basis voor zijn onderwijs als hoogleraar. Want het is juist het lesgeven dat Velema, maar vooral ook zijn studenten, zeer waarderen.

Wyger Velema heeft zijn kamer op de zevende verdieping van het P.C. Hoofthuis.  Zijn uitzicht bestaat uit de bovenste verdiepingen van de Magna Plaza, met in één van de ramen een mannelijke paspop. ‘Die staat er al een tijdje’ vertelt Velema, ‘vroeger was daar nog een hotel, toen was het pas echt lachen’.

Nu valt er gelukkig ook nog best wat te lachen voor Velema. Sinds het begin van dit collegejaar bekleedt hij de Jan Romein leerstoel, en werd daarmee bijzonder hoogleraar Geschiedtheorie en geschiedenis van de geschiedschrijving. Naar aanleiding van deze benoeming hield hij in december een oratie in de Aula, waarin hij sprak over het gebruik van de klassieke oudheid door Nederlandse politici in de achttiende eeuw. De meeste studenten geschiedenis zullen Velema echter vooral kennen als de sympathieke werkgroepdocent wetenschapsfilosofie, die in zijn enthousiasme vaak zijn twee identieke, ronde brillen (één om te lezen, één voor gewoon) door de war weet te halen en tegelijkertijd op een prettige wijze onnoemlijk veel kennis over de Annales en Leopold von Ranke in het geheugen weet te griffen.

U heeft in uw boek Republicans: Essays on Eighteenth-Century Dutch Political Thought een citaat van Johan Huizinga opgenomen waarin hij stelt dat de geschiedenis van de achttiende eeuw in Nederland niet de aandacht krijgt die zij verdient. Is dat nog steeds het geval?

‘Nee, dat is al heel erg vooruit gegaan. Deze verbeteringen vallen eigenlijk een beetje samen met de periode dat ik actief ben als wetenschapper. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat ik deze periode zo leuk vind: zij begon net wat meer aandacht te krijgen in de tijd dat ik gevormd werd als historicus. Bij mij begon het eigenlijk als een algemene interesse in de achttiende eeuw, maar in de jaren tachtig merkte ik dat die periode steeds meer bestudeerd werd en dat er heel leuke dingen te vinden waren. Ik denk echter dat de achttiende eeuw nog wel wat meer aandacht zou kunnen krijgen. Bijvoorbeeld op mijn eigen terrein: de geschiedenis van het politieke denken. Bij sommige onderwerpen is er wel veel verbetering te zien, zoals bij de revoluties van de late achttiende eeuw. Maar het grote onderzoeksproject waar Niek van Sas en ik momenteel mee bezig zijn over de Bataafse revolutie vanaf 1795, daar is echt nog heel weinig over geschreven. Er is niet eens een boek over het eerste Nederlands parlement!Dus vanaf de jaren zeventig is het wel heel erg verbeterd, maar er zijn nog steeds onderwerpen die meer aandacht verdienen.’

Is het hoogleraarschap iets dat u altijd al ambieerde?

‘Het overviel me eigenlijk een beetje. Het hoogleraarschap is natuurlijk het hoogst haalbare in de academische wereld, en daarover wil ik ook niet valselijk bescheiden zijn. Bovendien ben ik bijzonder hoogleraar en dat is echt het mooiste wat ik me kan bedenken. Ik hoef niet zoveel te besturen en te vergaderen maar ik heb nu wel het leukste recht van het hoogleraarschap, namelijk om als promotor op te mogen treden. Bovendien leveren die vier lettertjes voor je naam gewoon enkele formele voordelen op, en mensen luisteren ook iets beter naar je.
Maar goed, aan de andere kant vind ik dat gedoe rond het hoogleraarschap een beetje onzin. Er zijn veel bijzonder goede onderzoekers die wellicht nooit hoogleraar zullen worden, maar dit doet niets af aan hun academische kwaliteiten. Maar mijn eigen leerstoel staat in een mooie Amsterdamse traditie en ik vind het daarom bijzonder leuk en eervol dat ik hem mag bekleden.’

U bezet nu de Jan Romein leerstoel voor Geschiedtheorie en de geschiedenis van de geschiedschrijving. Is dat niet een erg breed onderzoeksgebied?

’Geschiedtheorie en de geschiedenis van de geschiedschrijving zijn niet helemaal mijn terrein. Ik ben, hoewel ik al vele jaren het vak wetenschapsfilosofie geef, immers geen geschiedfilosoof. Wel heb ik altijd een sterke belangstelling gehad voor de ontwikkeling van de geschiedschrijving en de geschiedenis van politieke ideeën. Zeker in de vroegmoderne tijd zit in dat politieke denken altijd een heel sterk historisch element. Met andere woorden: men baseert zich bij het formuleren van politieke ideeën op bepaalde versies van het verleden. Dit zie je nu ook nog wel, maar deze neiging was in de vroegmoderne tijd mijns inziens vele malen sterker. Een van de invullingen die ik zelf aan die leeropdracht zou willen geven is dus, dat ik mij wil bezig houden met die historische en historiografische component van het vroegmoderne politieke denken. Zo probeert iedereen natuurlijk zijn leeropdracht een beetje naar zijn eigen belangstelling te plooien’

Dit deed u in feite al bij uw oratie in december.

’Inderdaad. In mijn oratie heb ik geprobeerd te laten zien dat de bewering, dat de revolutionairen in de laat achttiende eeuw sterk onhistorisch dachten, onjuist is. Er wordt gedacht dat de revolutionairen allerlei vormen van onhistorisch denken aanhingen en de geschiedenis helemaal niet nodig hadden, omdat ze alleen naar abstracte ideeën keken over de universele rechten van de mens, die in de natuur verankerd waren. Ik beweer juist dat men misschien niet heel erg met de recente Nederlandse geschiedenis bezig was, maar wel heel sterk geïnteresseerd was in en beïnvloed werd door de klassieke oudheid. In mijn onderzoek kun je zien dat er vaak sprake is van een wisselwerking tussen historische belangstelling enerzijds en anderzijds het formuleren van bepaalde politieke ideeën.’

Is dat ook onderwerp van uw huidige onderzoek?

Ja. Ik hoop eigenlijk dat ik deze oratie kan uitwerken tot een breder essay over de omgang met de klassieke oudheid in de achttiende eeuw. Dit semester richt ik al mijn aandacht op het onderwijs, dus op het ogenblik ligt het onderzoek even stil. Ik heb al een uitgever gevonden die eventueel geïnteresseerd is in een boekje over dit thema, en ik hoop dat binnen een jaar of twee tot stand te kunnen brengen. Intussen loopt natuurlijk mijn grote project over de Bataafse revolutie. Zo’n oratie is natuurlijk slechts een verhaal van een kleine drie kwartier, maar ik heb nog heel veel moois gevonden waar ik iets mee kan, zoals toneelstukken over klassieke helden die werden opgevoerd.
Ik zou daarnaast graag onderzoek doen naar de parallellen die men in de achttiende eeuw trok tussen de problemen van de Republiek der Nederlanden na de Gouden Eeuw en de ondergang van het Romeinse Rijk. Dit thema komt voortdurend terug, en ik vind het heel vreemd dat niemand hier systematisch naar gekeken heeft.

Vindt u het jammer dat het onderwijs in de klassieke talen op middelbare scholen op dit moment zo onder druk staat?

’Ja, dat vind ik zeker jammer. Dit debat wordt overigens al sinds de achttiende eeuw gevoerd, toen waren er ook al mensen die zeiden dat men wel wat moest weten van die oudheid, maar hun vraagtekens zetten bij het belang van die talen. Ik zal je eerlijk bekennen: ik ben grotendeels vergeten wat ik precies bij de vakken Grieks en Latijn heb geleerd. Maar ik heb het idee dat ik van het vertalen van die klassieke teksten wel heb geleerd om heel nauwgezet te lezen. Ik merk vaak bij studenten dat ze er moeite mee hebben om teksten goed te begrijpen. Het besteden van een substantieel aantal uren aan de klassieken leert je mijns inziens wel heel erg geconcentreerd en geduldig teksten te lezen.  Het gaat immers, zeker bij geschiedenis, altijd om nuances en die zie je pas als je een tijdje met een tekst bezig bent.

Ik denk dat je deze kwestie ook binnen een groter probleem moet zien, namelijk dat de talenkennis in het algemeen heel erg aan het afnemen is. Ik wil niet vervallen in die oudemannenretoriek van ‘vroeger was alles beter’, maar toch vind ik het erg jammer dat ik niet meer zomaar Franse en Duitse teksten op kan geven aan mijn studenten. Bovendien sluiten wij ons hierdoor af van Duitsland en Frankrijk, waar een bloeiende academische gemeenschap bestaat      maar niet veel in het Engels vertaald wordt. Het gaat me elk jaar toch weer door merg en been dat ik Voltaire en Ranke in het Engels op moet geven.’

Vindt u dat hierdoor de kwaliteit van universitaire opleidingen omlaag is gegaan?

‘Ik vind eigenlijk dat als we de pretentie hoog willen houden dat dit een wetenschappelijke opleiding is, we er toch van uit moeten kunnen gaan dat geschiedenisstudenten de drie grote talen kunnen lezen. Overigens vind ik helemaal niet dat dit gebrek aan kennis aan de studenten ligt. Studenten komen van de middelbare school af met een kleinere talenkennis dat bijvoorbeeld dertig jaar geleden en moeten vervolgens in drie jaar zo’n bachelor er door heen jagen. Ze hebben gewoon substantieel minder studietijd gekregen. Dan heb je natuurlijk ook helemaal geen tijd meer om nog even een cursus middeleeuws Latijn erbij te volgen. Verder heeft het er natuurlijk ook mee te maken dat men graag wil dat zoveel mogelijk mensen een universitaire opleiding volgen. Maar als dit alleen maar kan ten koste van de kwaliteit, dan moet je er toch nog eens over nadenken of dat is wat je wil, en of je dan bijvoorbeeld niet beter extra geld kunt steken in mensen die een onderzoeksmaster volgen. Nu moeten we deze studenten vertellen dat er geen promotieplaatsen voor ze zijn: dat kan toch niet de bedoeling zijn?’

Is dat de reden dat u naar Amerika ging? Dat promovendi daar meer aandacht en geld krijgen voor hun onderzoek?

‘Nou ja, achteraf ga je altijd zeggen dat je hele goede redenen had om dingen te doen, maar eigenlijk wilde ik gewoon naar Amerika. Mijn vader gaf vroeger altijd summer courses in Amerika, en toen ik tien jaar oud was heeft hij een keer het hele gezin meegenomen. Het was 1965, tijdens de hoogtijdagen van de Amerikaanse cultuur en ik vond het prachtig. Bij ons vertrek stond de hele buurt ons uit te zwaaien. Dat heeft denk ik zo’n onuitwisbare indruk op mij gemaakt dat ik altijd een keer terug wilde gaan. Los daarvan ontwikkelde ik in mijn studietijd een interesse voor politieke theorieën uit de achttiende eeuw, en dat kreeg in Nederland nooit zoveel aandacht. ’

Ten slotte, wat is uw lievelingsboek?

‘Wat een simpele doch onmogelijke vraag! Maar goed, dan denk ik toch The Machiavellian Moment van mijn leermeester Pocock, bij wie ik ook gepromoveerd ben. Ik vond het al zo’n fantastisch boek toen ik het las als student, ook al begreep ik er maar de helft van. Echt een voorbeeld van zo’n boek dat je heel vaak moet lezen. Op elke bladzijde staan meer ideeën dan ik waarschijnlijk in de rest van mijn leven zal hebben: het is zo breed; zo erudiet geschreven. Ik moet toegeven: het is niet heel toegankelijk, maar wat betreft belang en diepgang is het fantastisch. Daarbij komt nog het avontuur van het lezen van dat boek, terwijl het eigenlijk te moeilijk voor me was. Zo’n boek waar echt hele nieuwe horizonten voor je zichtbaar worden kom je niet vaak tegen!’

Op dit moment werkt Wyger Velema met Niek van Sas aan The First Dutch Democracy: The Political World of the Batavian Republic, 1795-1801, over de Bataafse Republiek als eerste Nederlandse democratie.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s