Open brief aan de decaan van Geesteswetenschappen

‘Laat Bologna geen maat voor niets zijn’

Maarten Goethals – Toen in 1999 alle Europese Ministers van Onderwijs, onder wie Loek Hermans voor Nederland, de Bologna-verklaringen ondertekenden, engageerden de 31 kabinetten zich voor een spoedige eenmaking van een Europese onderwijsruimte. Meer dan een decennium later lijken sommige faculteiten de boodschap nog steeds niet te hebben begrepen. In een open brief aan de decaan van Geesteswetenschappen, José van Dijck, vraagt Maarten Goethals zich af waarom hij als Vlaamse uitwisselingsstudent Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam als ‘tweederangsstudent’ wordt behandeld.

Geachte Mevrouw van Dijck

Beste Decaan

Wij hebben elkaar nog niet gesproken, en ik ken uw gezicht alleen maar van foto’s verspreid op het internet, zoals uw identiteitsplaatje op de site van de universiteit. U ziet er mij een vriendelijke en integere dame uit, met een eeuwig stralende glimlach. Maar dat terzijde. In deze open brief wil ik met u van gedachten wisselen, meer bepaald over de Bolognahervormingen in het hoger onderwijs en over het engagement van uw faculteit in dit project.

Zoals u wellicht weet ondertekenden op 19 juni 1999 alle toenmalige Europese ministers bevoegd voor onderwijs een verklaring om in de toekomst samen te werken aan de vorming van een Europese onderwijsruimte. Plaats van gebeuren: het historisch stadje Bologna, waar Europa’s oudste Christelijke universiteit huisvest. Daarom dat we sindsdien ook spreken van de Bologna-verklaringen. In de jaren daarop werden opvolgingsconferenties, een soort tussentijdse tentamens, gehouden in Praag, Berlijn, Bergen, London en  vorig jaar nog in Leuven/Louvain-la-Neuve.

De intentie van Bologna is ‘bijzonder aandacht besteden aan de doelstelling van het vergroten van het internationale concurrentievermogen van het Europees hoger onderwijssysteem,’ zoals het in de verklaring staat. En dat vermogen opdrijven, luidt de redenering, kan alleen maar als Europa als gemeenschap werk maakt van een homogeen, onderwijskundig blok –net zoals ze ook een monetaire en economische eenheid vormt. Om dat te realiseren waren er enkele aanpassingen nodig, in eerste instantie de invoering van een creditsysteem, het gebruik van herkenbare en vergelijkbare graden en de bestaande opleidingen opdelen in een bachelor-masterstructuur.

Door het wegvallen van de grenzen tussen de verschillende Europese staten onderling –het resultaat van de in 1985 afgesloten verdragen van Schengen– ging in Bologna ook bijzondere aandacht uit naar de mobiliteit van studenten, docenten, ideeën en praktijken. De aanwezige verantwoordelijken engageerden zich nadrukkelijk voor de ‘bevordering van mobiliteit door middel van het uitschakelen van belemmeringen voor de  daadwerkelijke uitoefening van het recht op vrij verkeer,’ aldus de tekst.

Wat haar programma betrof, mag Bologna gerust een onderwijsrevolutie heten. In de praktijk spreken we beter van een evolutie, een langzaam proces van implementatie, aanpassing en fine-tuning. Het einde van de werken zijn gepland voor het einde van het tweede decennium van de 21ste eeuw. In theorie zou Europa tegen dan moeten kunnen concurreren met de topuniversiteiten uit Amerika, Canada en China. Dat lijkt mij persoonlijk een beetje voorbarig: universiteiten van hier draaien voornamelijk op overheidsgeld terwijl toppers uit die landen naast staatsinkomsten vooral ook particuliere sponsors en fondsen aanboren.

Zoals u wellicht weet zijn studenten zich doorgaans weinig bewust van deze achtergrond, en, beste mevrouw van Dijck, dat is ook niet erg. Zolang wij maar van de vruchten en de voordelen kunnen genieten: door bijvoorbeeld makkelijker in het buitenland te kunnen studeren of door les te krijgen van buitenlandse professoren die wereldklasse zijn in hun vak.

Over de kwaliteit van de professoren aan uw faculteit wil ik het in deze goedbedoelde brief niet hebben, geachte mevrouw, dat zou van mijn kant nogal pompeus overkomen. Wel wil ik, geïnspireerd door mijn eigen bezoek aan uw faculteit, u aanpreken over uw Erasmusbeleid. Ik stel mij namelijk de vraag waar uw prioriteiten op dat vlak liggen? Want ziet u, de afgelopen maanden ben ik als uitwisselingsstudent, en ik zal zeker niet alleen voor mijn beurt spreken, geconfronteerd met enkele zaken die allerminst Bologna-vriendelijk overkomen. Waardoor, en dit is mijn vrees, Bologna een maat voor niets durft worden. En dat kan toch niet bedoeling zijn? Graag had ik daarom uw standpunt geweten op volgende kwesties.

In december kreeg ik een mailbericht van het international office om me voor de lessen van het tweede semester aan te melden. Ruim een week voor de deadline stuur ik mijn keuze op: een mengeling van Nederlandstalige en Engelstalige vakken. Enkele dagen voor de officiële start van het tweede semester krijg ik echter te horen dat er iets fout is gelopen met mijn aanvraag en dat ik best maar eens tot daar kom. Van de acht vakken die op mijn lijstje van favorieten stonden, was ik –en zelfs dit was nog niet eens zeker– voor één toegelaten: de rest bleek volzet. Volzet? (Lichte verbijstering in mijn ogen –ziet u het voor u?) Ik begreep het niet: ik had mijn formulier toch op tijd doorgestuurd? ‘Ja,’ kreeg ik te horen, ‘maar Nederlandse studenten krijgen voorrang in werkcolleges.’ Gevolg: om toch aan de nodige studiepunten te raken, moet ik de komende maanden vakken volgen die ik ten eerste niet wil en waarvoor ik ook niet naar deze universiteit ben gekomen, en die, bovendien, niet eens tot het curriculum van geschiedenis behoren. De vriendelijke dame die mijn registratie in orde maakte, zag dat ik niet erg tevreden was met de situatie. En toen ik, een beetje teleurgesteld, opwierp dat deze manier van werken ‘toch niet erg Bologna-vriendelijk’ is, zuchtte ze instemmend, bijna verontschuldigend. ‘Helemaal gelijk, maar dat is het beleid. Ik had het ook graag anders gezien.’ Arme mevrouw….

Iets anders: mobiliteit. Heel concreet gemaakt: het dagelijkse bus-, trein- en tramvervoer in en rond Amsterdam. Nederlandse studenten kunnen met hun ov-chipkaart overal gratis op: een dienst waar ze, wel te verstaan, ook voor betalen –en als ik goed geïnformeerd ben, gaat zelfs een belangrijk deel van de inschrijvingskosten naar die post. Buitenlandse studenten hebben, omdat ze niet betalen, geen recht op ‘gratis’ openbaar vervoer. Ze moeten alles zelf financieren. Voor Erasmusstudenten is dit vaak een onvoorziene meerkost –zeker als u bedenkt dat de inschrijvingskosten aan sommige universiteiten waar ze vandaan komen (Erasmussers betalen de prijs van hun moederuniversiteit) even hoog zo niet hoger liggen dan Nederland. Toen ik een tijdje geleden Mas Fopma, verantwoordelijke voor Communicatie en Onderwijs aan uw faculteit, vroeg of het dan ook niet de plicht van de faculteit was om te zoeken naar een alternatief, kreeg ik als antwoord: ‘Over landelijke regelingen (zoals de ov-chipkaart, mg) wordt niet op facultair niveau besloten. Het is de verantwoordelijkheid van de faculteit om buitenlandse studenten zo goed mogelijk te informeren en hun komst hierheen succesvol. Daar wordt hard aan gewerkt en de discussie over een ov-kaart heeft daarin geen hoge prioriteit.’ Is daarmee de kous af? Neen, want wat moet een buitenlandse student doen met gemaakte vervoerskosten voor verplichte onderwijsactiviteiten? Een student die verschillende malen de metro of de tram moet nemen om naar een examen in Holendrecht te gaan of dagelijks naar de les moet pendelen, kan hij deze kosten, die al snel oplopen tot de honderden euro’s, ergens terug verdienen?  Antwoord: ‘Er is voor zover wij weten geen plek, waar je deze onkosten kunt verhalen.’  Om daar dan, enigszins troostend bedoeld, aan toe te voegen: ‘Overigens maken Nederlandse studenten dergelijke kosten ook elders. Studenten krijgen voor hun komst hierheen wel tips voor het zo laag mogelijk houden van dergelijke kosten (fietsen, maandkaart), en vergeet niet dat Nederlandse afstanden erg klein zijn vergeleken met de afstanden in de meeste thuislanden van buitenlandse studenten.’ Een argument dat misschien wel kan kloppen, maar waarmee ik nog geen brood koop –of een metroticketje in mijn geval.

En dan zijn er nog een paar andere zaken die mijn buitenlandse collega’s de nodige stress bezorgen. Ik geef u, beste decaan, hun verzuchtingen gratuit mee. De hoge onderwijskosten –voor sommige vakken zit je makkelijk aan 150 euro leesmateriaal: waarom is er geen cursusdienst die voorziet in goedkope copietjes? Het kotentekort –buitenlandse studenten betalen verhoudingsgewijs meer dan Nederlandse studenten omdat ze de woningmarkt niet kennen: waarom geen extra opvang op dat domein? Gekoppeld daaraan: doordat buitenlandse studenten meestal geen vaste woonplaats hebben (of ze verhuizen constant of ze resideren ergens verborgen) worden ze buitengesloten van heel wat maatschappelijke diensten –zoals het kunnen openen van een bankrekening waarvoor je een adres moet opgeven– en zijn ze, willen ze iets bijverdienen, vaak verplicht illegaal te werken. En dan zijn er nog de kleinere onhebbelijkheden die het leven onaangenaam maken. Omdat buitenlandse studenten vaak terechtkomen in de mindere kamers, zijn ze vaak ook verstoken van allerhande technologisch wondermiddelen, zoals de wasmachine. Dus moeten zij hun kleren wassen in particuliere wasschops: een kost die enorm kan oplopen wil je niet stinkend door het leven gaan. Waarom schaft de faculteit niet een paar draaitrommels aan, denk ik dan?  Enzovoort.

Voor alle duidelijkheid mevrouw van Dijck, ik stel u daar niet persoonlijk voor verantwoordelijk. Veel heeft u zelf niet in de hand: een decaan is immers geen rector en nog minder een Minister van Onderwijs. Maar niettemin denk ik dat u met enkele kleine ingrepen het leed, het lijden, het zwoegen, het zuchten, het vloeken, het gejammer, het gehuil en het godtergend geklaag van de buitenlandse studenten kunt weghelpen. U wilt toch niet dat wij ons als tweederangsstudenten gaan voelen op uw faculteit? Niet toch?

Ik dank u alvast voor uw antwoord in de volgende Eindeloos

Hoogachtend

Maarten Goethals

Studentennummer: 06175406

P.S. als u mij googlet en vervolgens drukt op ‘afbeeldingen’ vindt u zeker ook een paar portretten van mij. Maar ik moet u waarschuwen: ik plak niet op foto’s, zoals dat heet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s