Jesse Beentjes – Wie zich op woensdag 8 februari in café P96 begaf in de mengeling van grijze, hoofdstedelijke elite en studenten heeft, naast een interessant interview met Cor Wagenaar over zijn boek over Nederlandse stedenbouwkunde, een fascinerend staaltje verbaal krabben en bijten kunnen zien. Een vriendelijke oude vos en een oplichter bespraken de middeleeuwse geschiedenis van Nederland. Het betrof respectievelijk Marco Mostert, hoogleraar middeleeuwse schriftcultuur aan de Universiteit Utrecht, en Jan Kuipers, veelschrijver en recentelijk auteur van Nederland in de Middeleeuwen, de canon van ons Middeleeuws verleden. Onder leiding van Frans Camphuijsen discussieerden zij over de waarde van deze canon, de canon in het algemeen en de inhoud van de canon.
In deze canon schetst Kuiper in vijftig vensters de middeleeuwse geschiedenis van Nederland. De discussie begint vriendelijk, wanneer Marco Mostert de heer Kuiper feliciteert met zijn lef om zo’n lange periode in zo’n beknopt boekje samen te vatten. Daarmee houdt het ook wel op. Mostert uit allereerst zijn twijfels bij de titel van het boek, die volgens hem volledig past bij het zoeken naar een nationale identiteit. Daar moet hij al niet zoveel van hebben, maar erger vindt Mostert dat ‘ons middeleeuws verleden’ vooronderstelt dat er in de middeleeuwen al sprake was van de huidige natiestaat Nederland. Iedere geschiedenisstudent weet dat dat geheel niet het geval was, en dat er daarom ook niet van een gemeenschappelijk verleden valt te spreken..
Kuiper, die eerder onder andere kinderboeken, kabelkrantberichten en lesmethoden schreef, maakt dit niet zoveel uit, omdat er volgens hem “blijkbaar behoefte” is aan een nationale identiteit. “Dat soort boeken verkopen”. Zijn canon is er dan ook op gericht om een breed publiek inzicht te bieden in “hun” middeleeuwse verleden. Daarom heeft hij regionale historici bij zijn boek betrokken (of nouja, Friese. Geen anderen, maar dat hoefde niet van zijn uitgever).
De indeling van het boek is thematisch, het onderling verband in de gebeurtenissen wordt heel summier weergegeven. Dit is volgens Mostert een aanpak die vooral werkt bij kinderen tot 14 jaar, en die tekort doet aan de intellectuele vermogens van de lezer. Kuiper ontkent dit, en zegt dat er naast thema’s die hij naar eigen goeddunken heeft gekozen wel degelijk verbanden worden gelegd.
Ik heb het boek niet gelezen en ben het ook niet meer van plan, dus hierbij genoeg over de canon zelf. Tijdens de discussie merkt Marco Mostert namelijk op dat de canon, naast een aantal onjuistheden, eigenlijk alleen inzichten in de middeleeuwen biedt die er vijftig jaar geleden ook al waren. Er is in de canon geen ruimte voor academische discussie over nieuwe inzichten. Kuipers erkent dit, en lijkt er geen problemen mee te hebben. Academische discussie is niet iets voor het brede publiek, zo stelt hij, maar meer voor “binnen de veilige muren van Academia”. Op Mosterts vraag wat het maatschappelijk nut van een academisch historicus dan nog is geeft Kuipers schaapachtig lachend “bronnen zoeken” als antwoord. “Historici zijn geen verhalenvertellers”, althans Kuipers. Au.
Allerlei lelijke woorden bedacht ik me op dat moment, maar de onderliggende gedachte stemde me zorgelijk. Blijkbaar hoeven historici zich niet meer af te vragen wat hun doel in de samenleving is. Zij zoeken de bronnen, en dan bouwen de journalisten annex kinderboekenschrijvers er een mooi verhaal omheen dat het commercieel goed doet. In één keer scoren, want op de vraag of de heer Kuipers wat zou doen met eventuele verbeterpunten van de heer Mostert antwoordt hij ondubbelzinnig: ‘Dan ben ik alweer met een ander boek bezig’.
Aan u, lieve Geschiedenisstudenten, om het beter te doen.






